Effectief leren gebeurt in een aantal stappen. Voor zaakvakken als geschiedenis, aardrijkskunde of biologie moeten vaak lange stukken tekst worden onthouden. De volgende manier werkt vaak het beste:

  1. Overzicht krijgen
  2. Lezen en begrijpen
  3. Onthouden en herinneren
  4. Herhalen en gebruiken

1. Overzicht krijgen:

Ongeveer een week voor de toets is het belangrijk dat de stof snel wordt doorgenomen. Dit zet in je hersens allerlei processen aan het werk die het later makkelijker maken de stof op te nemen!

Blader het boek door, lees de koppen, bekijk de plaatjes en grafieken. Scan snel door de leerstof. Neem voor een dik boek ongeveer 20 minuten en voor de dikte van een tijdschrift niet mer dan een minuut of 5. Concentreer je op wat je te weten wil komen en waar het eigenlijk om draait. Noteer opkomende vragen! Zie ook “snellezen“.

Leg je leerstof dan weer weg en laat het een paar dagen bezinken.

2. Lezen en begrijpen:

Het állerbelangrijkste van leren is begrijpen! Wat je niet begrijpt, kan je niet onthouden. Als je begrijpt wat er gezegd wordt kun je het makkelijker en langer onthouden, soms bijna vanzelf! Bij het begrijpen zijn er 3 struikelblokken:

2.1 Woordkennis

Weet je van alle woorden wat ze betekenen? Sommige woorden hebben meerdere betekenissen, let daarop! Woorden die onduidelijk zijn kun je het beste opzoeken in een woordenboek of op Google. Probeer je een beeld te vormen en maak er daarna zinnen mee.

Onderschat dit belang niet! Alle ideeën, zelfs rekenen en wiskunde, worden overgebracht in taal!

2.2 Geen stappen overslaan

Het is belangrijk dat de volledige stof wordt doorgenomen (topdown). Lees het hele hoofdstuk en niet alleen de samenvatting, anders zie je het geheel niet meer.

Lees de stof rustig door. Per alinea vertaal je wat er staat in je eigen woorden. Doordat je de stof in je eigen woorden vertaalt ben je al bezig met het leerproces! Zoek naar verbanden en maak aantekeningen!

Stel jezelf vragen en kijk naar de vragen die je in stap 1 al hebt gesteld. Probeer deze vragen te beantwoorden in je eigen woorden.

Bij praktische vakken is het belangrijk dat je alle opdrachten uit het handboek nog een keer maakt, vanaf de eerste opdracht. Ieder hoofdstuk bouwt namelijk verder op eerder opgedane kennis dus een klein hiaat kan een groot probleem worden!

2.3 Tastbaarheid

Maak alle stof tastbaar door het maken van schema’s, tekeningen, grafieken en mindmaps!

Wat we met onze primaire zintuigen waarnemen (bijv. zien) wordt het makkelijkst onthouden. Iedereen weet bijv. wel wat een poes is. Abstracte stof die we het niet direct kunnen waarnemen (bijv. een molecuul) is moeilijker te begrijpen, en dus te onthouden.

Probeer abstracte dingen dus te vergelijken echte dingen. Hulpmiddelen als een atlas, Google, Youtube. klei en Lego kunnen helpen dingen concreter en echter te maken.

3. Onthouden/herinneren

Het geheugen is opgedeeld in een korte termijn geheugen (ktg) en een lange termijn geheugen (ltg). Het ktg heeft weinig capaciteit, wat erin staat wordt snel weer vergeten. Het ltg heeft veel capaciteit en de dingen worden lang onthouden. Alles wat geleerd wordt komt in de eerste instantie terecht in het ktg. Dit vergeet je jammer genoeg snel weer. Hoe zorg je nu dat je de dingen langer onthoudt?

Het is beter regelmatig kort te oefenen dan één keer lang te oefenen. Drie keer 20 minuten is veel meer waard dan een uur!

3.1 Wat ben je eigenlijk aan het leren?

Met welk deel van het geheel ben je bezig? Kijk niet alleen naar de paragraaf en het hoofdstuk. Als je de stof kan benoemen en plaatsen komen de feiten in je hoofd in de juiste map met de goede naam. Zo kun je de informatie beter oproepen als het nodig is (bij een toets bijvoorbeeld). Zie ook topdown denken en wiskunde.

3.2 Visueel/verbaal:

  • Maak een plaatje van de stof. Zoek op Youtube of Google afbeeldingen.
  • Vertel er hierna over in je eigen woorden. Dit moet je op een toets tenslotte ook kunnen.

3.3 Verbanden zoeken:

Alles houdt verband met elkaar. Door mindmaps en schema’s te maken ga je ordenen en verbanden leggen. Hierdoor worden nieuwe feiten gekoppeld aan dingen die je al weet. Dit heet associëren.

3.4 Waar gaat het om?

Maak een samenvatting. Probeer hoofd- en bijzaken te scheiden en de essentie op te pakken. Een supermanier is een mega-spiekbrief te maken waar alles wat je moet onthouden opstaat. Deze spiekbrief is natuurlijk zo groot dat je hem niet kan gebruiken dus je moet hem net zo vaak verkleinen tot het een klein briefje is met alle belangrijke stof erop. Je zal zien dat je dit spiekbriefje niet meer nodig hebt!

3.5 Ezelsbruggetjes:

Droge feiten hebben soms ezelsbruggetjes nodig. Denk aan het “‘t kofschip”,  TVTAS of Meneer van Dale wacht op antwoord….. Ook dit geeft een kader aan de feiten die onthouden moeten worden.

4. Herhalen en gebruiken

Wat zijn de belangrijke punten? Scan de stof nogmaals. Sluit na elke paragraaf het boek en herhaal de tekst in eigen woorden.

De stof wordt extra vastgezet in het geheugen door de stof te oefenen en te gebruiken. Dit kan d.m.v.:

  • een mindmap maken
  • een beeldsamenvatting maken
  • een mega-spiekbrief maken (die je niet gebruikt)
  • oefeningen maken
  • vraagstukken oplossen
  • denkvragen beantwoorden