Valkuilen

ten-pitfalls-of-leadershiDe sterke rechter hersenhelft van de beelddenker heeft jammer genoeg vaak tot gevolg dat de linker hersenhelft zwakker ontwikkeld is. Dit kan in het dagelijks leven best veel uitdagingen opleveren.

Ga er bij het doornemen van de lijst vanuit dat iedereen uniek is. De één herkent veel, de ander heel weinig. Iedereen is uniek.

Een training van vier sessies van de methode “Ik leer Anders” kan op leergebied veel oplossen. Kinderen leren op een leuke manier hoe ze de leerstof op school het beste kunnen vertalen naar beelden. Doordat ze beter begrijpen hoe ze de leerstof aan kunnen pakken en wel goede cijfers halen zie je dat kinderen veel meer zelfvertrouwen krijgen.

Waar moet je voor uitkijken?

[posts-by-tag tags=”valkuilen” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc” exclude_current_post=”true”]

Langere bezinkingstijd

time2Soms zijn beelddenkers wat naar binnen gekeerd waardoor ze een wat trage, slome indruk maken. Dit komt omdat ze alles eerst bekijken voor ze  in taal kunnen reageren.

Nieuwe kennis lijkt soms ‘niet aan te komen’. Maar na drie dagen bezinken blijken ze het toch te weten.

Vaak heeft men de indruk dat dit kind wel kan leren maar geen moeite doet, of lui is. Dat is wel het laatste wat men de beelddenkers mag verwijten! Beelddenkers zijn doorgaans harde werkers die, ondanks de soms geringe resultaten, van doorzetten weten!

Vaak vergeten zij ook dingen die ze moeten doen of ze worden ‘gewoon niet gedaan’. Niet met kwade opzet maar omdat de opdracht niet “geland” is.

Ongerichte leerstijl

Deel 6 van 6 in de serie De leerstijlen van Vermunt

ver4Heb je een leerling met een ongerichte leerstijl in de klas dan heb je een uitdaging. Ze laten zich niet of heel moeilijk aansturen en zijn niet gemotiveerd. Vaak zie je dat deze leerlingen onzeker zijn, en bang zijn de leerstof niet aan te kunnen. Het is een uitdaging deze leerling weer gemotiveerd te krijgen!

Aansturing:

  • ze sturen zichzelf niet aan en laten zich ook niet sturen door de docent
  • voorkeur voor op hen toegesneden externe sturing
  • hebben weinig houvast aan instructie en aanwijzingen (stuurloos)
  • vinden het moeilijk om hun eigen leren te sturen

Leeropvatting:

  • doel van leren het weten van de feiten, het kennen van de stof
  • vinden dat het onderwijs stimulerend hoort te zijn
  • bang het niet aan te kunnen, niet goed aan te pakken, de stof niet geleerd te krijgen

Leeroriëntatie:

  • zijn niet specifiek gemotiveerd, leren zonder duidelijk doel
  • leren omdat anderen dat van ze verwachten
  • staan onzeker tegenover hun studie (ambivalent)
  • twijfelen aan hun capaciteiten
  • twijfelen over studiekeuze
  • hebben ben wel een bepaalde gerichtheid maar kunnen die niet realiseren.

Verwerking:

  • hebben geen speciale leermethode
  • moeite om hun leerprocessen goed te reguleren
  • verwerken niet wat ze leren
  • werken graag samen met medestudenten
  • weten niet op welke manier de leerstof benaderd moet worden
  • nauwelijks tot zelfstandig studeren in staat
  • hebben moeite met het uitvoeren van instructie
  • vinden alles even belangrijk
  • weten niet wat ze moeten onthouden
  • moeite met scheiden van hoofd- en bijzaken
  • gaan daarom over tot een gedetailleerde werkwijze

Overprikkeld

overstimulated2-300x234Beelddeners zijn vaak hoogsensitief. Ze zijn (extreem) gevoelig voor licht, geluid, gevoel.

Van tijd tot tijd kan een beelddenker overprikkeld raken. Ze raken geïrriteerd, worden snel boos, worden emotioneel of onzeker. Ze kunnen op zo’n moment niet helder denken en maken sneller fouten.

Op school is het meestal druk. Veel geluid, veel gevoelens en indrukken. Soms is het aantal binnengekomen prikkels zo groot dat de filters het niet meer kunnen verwerken. Het kind raakt overprikkeld en heeft rust nodig om te herstellen.

Prikkels van buitenaf

Hectische thuis-of school-situatie, lawaai, prestatiedruk, warmte en kou, vervelende kleding (bijvoorbeeld labeltjes), bepaald eten, onrust, stress, verdriet bij anderen, viezigheid, verassingen, onvoorspelbare gebeurtenissen, veranderingen.

Veel invloeden van buiten af en gebrek aan overzicht, kunnen uiteindelijk angsten veroorzaken. Zorg voor voldoende rustmomenten (prikkel-vrij) gedurende de dag om weer op te laden. Denk daarbij aan bijvoorbeeld een koptelefoon uit de bouw (stilte). Vaak helpt een TV-programma of computer(spel) om de wereld even buiten te sluiten. Kijk wat voor jullie prettig voelt!

Prikkels van binnenuit

Vaak door angst (faalangst, anticipatieangst, verlatingsangst), schaamte, onzekerheid, schuldgevoelens, perfectionisme, enthousiasme en gedrevenheid.

Hoe voelt het om overprikkeld te zijn?

Je hebt last van alles en iedereen om je heen en je kan geen geluid verdragen. Het liefst zou je een paar uur (of langer) alleen in een stille ruimte willen verblijven.

Signalen van overprikkeling:

  • Slechte concentratie
  • Wisselende prestaties
  • Laag of negatief zelfbeeld
  • Faalangst
  • Laag werktempo
  • Grote kwetsbaarheid
  • Perfectionisme.
  • Hoofd of buikpijn.
  • Huilbuien.
  • Drift aanvallen of woede uitbarstingen.
  • Onzichtbaar maken, zodat niemand ze opmerkt
  • Clownesk gedrag (bij slechte resultaten)

Hoe voorkom je overprikkeling?

  • Informeer het kind vooraf als er iets bijzonders gaat gebeuren
  • Maak de omgeving prikkelarm
  • Zorg voor afwisseling in activiteit
  • Wees zelf rustig en kalm
  • Stimuleer rust in de klas
  • Zorg dat het kind zich op zijn gemak voelt
  • Geef de opdracht in stapjes, visualiseer oefeningen
  • Push of stimuleer niet teveel bij weerstand
  • Bouw rustmomenten in
  • Neem vrije dagen zonder afspraken

Wat helpt bij overprikkeling?

  • Lang douchen
  • In bad
  • Water over je polsen.laten stromen
  • Alleen zijn op een rustige plek
  • Ga de natuur in
  • Slapen
  • In de tuin werken.
  • Lezen
  • Mediteren
  • Ademhalingsoefeningen/yoga

Verwarde verhalen

childspeechBeelddenkers hebben een ingewikkelde manier waarop ze hun belevenissen vertellen. Vaak is er geen touw aan vast te knopen…. Het vergt veel tijd en geduld hun verhalen aan te horen en te ontwarren.

Beelddenkers hebben  een beeld van wat ze willen zeggen. Ze zien een idee of oplossing ruimtelijk voor zich. In meer dimensies.

In gedachten kan de beelddenker eromheen lopen, erin gaan zitten, noem maar op. Iedere manier van kijken en iedere dimensie levert een nieuw aspect op dat laat zien waarom het idee zo goed is.

Vertalen van beeld naar woord

Hoe ga je dit overbrengen? Wat zou het makkelijk zijn als het plaatje vanuit je hersens naar een schermpje zouden kunnen worden gestuurd. Jammer genoeg kan dat nog niet. Het plaatje moet naar een maquette of naar een tekening of naar woorden vertaald worden. Zeker als het onderwerp abstract is, geen makkelijke opgave.

Van de hak op de tak

Omdat er aan het beeld geen begin zit, begint de beelddenker maar ergens. Tijdens het kiezen van de woorden schieten plaatjes van relevante aspecten door het hoofd die ook verteld moeten worden. Zinnen worden niet afgemaakt, woorden die niet worden gevonden, het perspectief wordt gewijzigd zonder aankondiging.

De beelddenker ziet zijn beeld duidelijk voor zich en denkt dat hij een prima verhaal heeft. Het publiek haakt af omdat ze de uitleg niet kunnen volgen en de beelddenker blijft verward achter. Voor beide partijen frustratie.

Laat het zien!

Het is van belang dat beelddenkers leren hoe ze een verhaal moeten structureren zodat het wel te volgen is. Laat zien dat er een begin, een midden en een eind zitten aan een boek of film. Dat er een opbouw in zit.

 

Geen touw aan vast te knopen

Hyperfocus

hyperfocusVeel beelddenkers hebben met enige regelmaat een hyperfocus. Een hyperfocus is hetzelfde als overconcentratie. Een tot het uiterst doorgevoerde hobby. Ze kunnen zich volledig verliezen in iets dat hun interesse heeft gewekt en kunnen geen rust vinden tot het gehoopte eindresultaat is bereikt.

Bij interesse zijn is een beelddenker in staat bijna alles te leren. Hierdoor zijn de verwachtingen die hij van zichzelf heeft ook extreem hoog.

Dit resulteert vaak in creatieve uitbarstingen Alleen hetgeen waar je mee bezig bestaat nog, alle prikkels van buitenaf komen niet meer binnen. Als je dan iets vraagt aan deze persoon hoort deze persoon je niet.

Sommige mensen kunnen zich bijvoorbeeld volledig verliezen in een boek, of in een spel aan de computer. Ook creatieve activiteiten kunnen een hyperfocus opwekken, zoals bij het componeren van een muziekstuk of het maken van een schilderij.

Meestal komt de hyperfocus op bij nieuwe interessante dingen. Dit wekt bij de persoon met de hyperfocus bovengemiddelde interesse. Dankzij de hyperfocus kan hij in extreem korte tijd ongewoon veel informatie opnemen. Prestaties die zijn gehaald met een hyperfocus worden vaak als zeer bijzonder gezien. De hyperfocus kan dus werken als een groot voordeel maar kan de beelddenker ook overweldigen.

Alles gaat dan te snel en alles lijkt tegelijkertijd te moeten. Dit kan ontaarden in chaos in het hoofd en/of hyperactiviteit (duizend ideeën die om aandacht en uitvoering vragen). Dit vraagt een enorme hoeveelheid energie waardoor de accu tussendoor even moet worden opgeladen. Het kind voelt zich leeg en uitgeblust en lijkt is zeer afwezig en op zichzelf gericht. Op zo’n moment is keuzes maken of prioriteiten stellen is moeilijk.

dinossaurosEen  hyperfocus die bij kinderen vaak voorkomt is die van dinosaurussen. Een driejarig kind dat je alles kan vertellen over de Tyrannosaurus Rex.

Soms voldoet het eindresultaat maar net aan de minimale eisen.
De beelddenker, met het eindbeeld zo duidelijk in zijn hoofd, is teleurgesteld. In zichzelf. Meisjes kunnen hier heel verdrietig vanworden. Jongens kunnen boos, opstandig en ongeduldig reageren.

Zo snel en plotseling als een hyperfocus begint, zo abrupt kan hij ook weer afgelopen zijn.

Sommige mensen kunnen hun hyperfocus aan- of uit te zetten, bijvoorbeeld tijdens een les. Maak er gebruik van als er een hyperfocus opkomt en leer het gevoel herkennen. Je kan op die manier leren hoe je de hyperfocus aan moet zetten. Dit kan naar aanleiding van een kranten-artikel zijn of een documentaire, het maakt niet uit.

Herhaal dit zoveel mogelijk. Zet zo vaak mogelijk je hyperfocus aan en uiteindelijk kun je ook proberen de hyperfocus aan te zetten bij dingen die je minder extreem interesseren. Bouw het interesse niveau af en zo zul je zien je dat je jezelf ook beter kunt concentreren bij dingen die je eigenlijk helemaal niet zo leuk vindt.

Verbale communicatie

communicationBeelddenkers verwerken hun informatie in beelden

Hoe bereik je ze toch met woorden?

  • gebruik voorbeelden en metaforen
  • maak gebruik van luisterboeken
  • regelmatig mondeling overhoren
  • gesloten of compacte vragen stellen
  • opdracht terug laten vertellen na de uitleg
  • geen beurten voor hardop lezen van een tekst

Moeite met links en rechts

lrBeelddenkers hebben moeite met onthouden wat links of rechts is.

Vaak wil het ondanks alle tips en trucs niet lukkenbeide kanten uit elkaar te houden.

Niet kunnen onthouden wat links en rechts is, kan een storend probleem vormen. Het is lastig als je een routebeschrijving niet goed kan opvolgen en het kan voor gevaarlijke situaties zorgen als je in de war raakt.  Ook tijdens de rijlessen of het rijexamen kan het extra vervelend zijn.

Soms helpt het te denken aan je schrijfhand. Je ziet dan een beeld van je rechterhand. Hierdoor weet je welke kant rechts is (of links als je met links schrijft natuurlijk).

Het is genoeg als je de ene hand weet, degene dieje niet weet is dan links.

Het vergt enige oefening maar na een tijdje zul je merken dat het steeds gemakkelijker gaat.

Altijd als laatste klaar

langzaam in de klasBeelddenkers zijn vaak heel traag in de klas. Niet omdat ze minder intelligent zijn maar omdat ze voortdurend moeten schakelen tussen beeld en woord.

Informatie omzetten naar taal omzetten kost veel tijd en energie. Buitenstaanders zien niet dat ze dat in hun hoofd nog veel moeten doen voor het antwoord op papier staat.

Als je dan zo hard zit te werken en je bent weer als laatste klaar kan de je daar erg ontmoedigd en gedemotiveerd van raken. Vooral als je dan ook nog in de pauze (die je zo hard nodig hebt) je werk moet afmaken….

Vermoeidheid

52374_Tired-Child_400Beelddenkers zijn snel vermoeid.

Het beelddenkende kind verbruikt veel energie, omdat  hun wereld zo anders is dan de wereld om hen heen.

De hele dag vertalen van beeld naar woord en andersom is vermoeiend.

Houd je kind gerust een keer een dagje thuis. Een “bijtankdag”  aakt dat het kind een hele periode weer wat meer energie heeft.

Leren lezen

Deel 1 van 7 in de serie Leren lezen

boy-reading-book-outsideAanvankelijk lezen en spellen is de term die het proces aangeeft waarin een kind leert lezen en spellen. In Nederland beginnen de meeste kinderen in groep 3, als ze zes jaar zijn, met lezen.

Normaal gesproken begint een kind met spellend lezen, gaat dan groepjes letters herkennen en gaat uiteindelijk hele woordbeelden herkennen.

Beelddenkers gaan van het spellend lezen vaak snel over naar directe woordherkenning. Dit zorgt voor het vermogen tot het snel lezen van teksten en is ook de manier waarop veel volwassenen lezen.

Een voorbeeld van een methode die met deze strategie werkt is de globaal methode uit de jaren 30. Het leren lezen had hele woorden en zinnen als uitgangspunt. Bij het inprenten van globaalwoorden wordt uitgegaan van de visuele woordvorm. Het woord wordt onthouden als een plaatje. Dé manier voor beelddenkers!

Wat als ze al kunnen lezen?

Er is een groep kinderen die in groep 3 al vloeiend kan lezen. Het is niet verstandig deze kinderen mee te laten doen aan de klassikale leesinstructie. Grote kans dat ze hier gefrustreerd en ongeïnteresseerd door raken. Geef ze iets nieuws te leren.

Zorg dat er direct aan de start van groep 3 een niveaubepaling gedaan wordt om te zien welke letters, tweetekenklanken en dubbelklanken het kind al kent. Het kind kan hierna op eigen niveau verder lezen. Hou niet te strak vast aan dit niveau, het belangrijkste is dat ze lezen, begrijpen wat ze lezen en er plezier in hebben!

De leesinstructie kan losgelaten worden bij deze groep. Werkinstructie hebben ze wel nodig want de materialen zijn nieuw voor ze. Het feit dat ze kunnen lezen houdt niet automatisch in dat ze goed kunnen spellen en begrijpend lezen; hou dit in de gaten!

Tips om het lezen leuker te maken:

  • Lees elke dag voor, zo leren kinderen intonatie, nieuwe woorden en verhaal opbouw.
  • Voorlezen laat zwakke lezers zien dat lezen leuk is.
  • Zorg voor een variatie in wat ze lezen; gedichten, kranten of de Donald Duck zijn ook leuk!
  • Laat kinderen regelmatig samenwerken aan teksten.
  • Het is fijn als er regelmatig stil gelezen wordt in de klas (ook door de leerkracht!).
  • Zelfs zwakke lezers vinden het soms leuk om voor te lezen aan de eigen of een lagere klas.

Eigen woordenschat

images (4)Een beeld heeft geen begin en geen eind. Alles gebeurt tegelijkertijd. Daarom is het voor beelddenkers lastig zaken te ordenen. Dit is ook lastig bij het luisteren en spreken.

Verbasteringen

Door de vele beelden die ze zien, gaat het luisteren bij beelddenkers over in een soort “gokken wat je hoort”. Ze horen en luisteren in eerste instantie niet goed en corrigeren zichzelf later niet.  Ze onderscheiden geen letters in woorden en geen woorden in zinnen. Ze leren makkelijk een verkeerd woordbeeld aan, een woord wat er een beetje op lijkt. “Klinkt als” dus.

Als gevolg daarvan praten beelddenkers vaak slordig, ze hebben vaak een slechte articulatie en een geheel eigen, bijzondere, woordenschat.

Zo dacht mijn dochter op een gegeven moment dat “poffertjes” koffertjes heetten. Ze werd verbeterd door een vriendinnetje: dat zijn geen “koffertjes”, dat zijn “ploffertjes”.

Verbasteringen zoals valvis voor walvis, aloge voor horloge en stokcontact voor stopcontact komen vaak voor. Ook zinnen die als heel woord worden uitgesproken (wiedoetturmee?) komen veel voor. Vaak wordt dit in eerste intantie niet opgemerkt maar komt het pas naar voren op school bij het schrijfonderwijs (dictee, verhalen schrijven).

Woordvindings-problemen

brain-maze3Hoe heet het ook alweer? Het ligt op het puntje van mijn tong! Woordvindings-problemen komen vaak voor bij beelddenkers. Het beeld zien ze haarscherp voor zich. Ze kennen het woord wel, maar kunnen het (even) niet oproepen. Een tijdelijke blokkade naar het woord.

Vaak gaat het om de meest simpele woorden maar ook om getallen, namen en plaatsen. Meestal wordt het niet gevonden woord beschreven als “dinges” of “je weet wel”. Ook ontstaan er soms spontaan nieuwe woorden om het “verloren” woord te vervangen. Bijvoorbeeld deuropener in plaats van sleutel.

Wat vaak meespeelt is vermoeidheid en spanning. Ook emotioneel beladen situaties en tijdsdruk kunnen het probleem verergeren.

Woordvindingsproblemen kunne de nodige problemen opleveren in de communicatie. Het is lastig je verhaal te vertellen als je de juiste woorden niet kan vinden. Mensen kunnen het niet volgen en haken af. Er ontstaan makkelijk misverstanden in de communicatie.

Je kan het kind helpen door het:

  • extra tijd geven
  • een beginklank te geven
  • de kans geven het woord te omschrijven
  • het beeld wat ze zien te laten omschrijven

Trouw aan strategie

Tellen Op Je VingersBeelddenkers vinden het moeilijk van strategie te veranderen.

Ze hebben de neiging om aan één gekozen manier vast te houden. Die is vaak concreet (= zichtbaar zoals bijv. rekenen op vingers i.p.v. uit het hoofd) en omslachtig.

Deze oplossing kan nog werken in groep 3, maar in groep 6 is het te traag.

Ook per leerjaar worden vaak verschillende strategieën gebruikt om hetzelfde probleem aan te pakken.

Makkelijke dingen zijn soms moeilijker

leesplankje-makkelijk-moeilijk2Vaak is het voor beelddenkers makkelijker te werken met moeilijkere woorden en moeilijkere getallen. De stof is vaak interessanter, overzichtelijker en gaat meer de diepte in waardoor de interesse wordt gewekt.

Laat het leesniveau vrij! Laat ze zelf boeken uitzoeken die ze interessant vinden. De moeilijke woorden zijn makkelijker te herkennen dan de korte woordjes uit de lagere AVI-niveaus.

Als automatiseren nog niet lukt in een hogere klas, laat de beelddenker dan oefenen met hogere getallen.

Slechte werkhouding

getty_rf_photo_of_distracted_schoolgirlVaak doen beelddenkers hun uiterste best! Van nature zijn het harde werkers en doorzetters. Maar; vooral als ze niet op hun talenten worden aangesproken; kunnen beelddenkers een slechte werkhouding gaan ontwikkelen.

Het kost ze moeite de de aandacht bij de stof te houden. Naar lange verhalen of uitleg luisteren vinden ze moeilijk. Ze worden snel afgeleid; vooral als ze niet mogen bewegen. Ze zitten te dromen of horen en zien juist alles om zich heen.

Het duurt vaak even voor opdrachten landen en ze aan de slag gaan. Vervolgens laat ook het werktempo te wensen over. De beelddenker moet alles in zijn hooft vertalen van beeld naar woord en andersom; dat kost tijd en energie!

Vaak hebben beelddenkers moeite met het automatiseren van leerstof. Vaak zien ze het nut niet van de dingen die ze moeten leren. Ze willen weten wáárom iets geleerd moet worden en zijn er moeilijk te overtuigen dat iets is zoals het is. Niet de meest ideale werkhouding.

Wat kan helpen?

  • Het helpt de beelddenker zelf aan het werk te zetten.
  • Laat ze zelf oplossingen vinden voor problemen
  • Laat ze doordenken, actief zijn, informatie inwinnen en opzoeken
  • Laat ze associëren, dat is hun leerstijl, zo blijven ze enthousiast

Niet zo lekker in je vel

sad_kidBeelddenkers hebben het lastig op school. Vaak blijven resultaten achter en hebben ze het niet hun zin op school. Vaak past de manier van lesgeven niet bij deze kinderen, hun talenten worden niet genoeg aangesproken.

Als je kind niet lekker in zijn vel zit kan dit ervoor zorgen dat dat het leren niet meer lukt.

Het kind voelt zich vaak anders dan de rest;  soms spelen er ook aanvullende zorgen zoals bijvoorbeeld een scheiding, ruzie, een zwakke gezondheid en faalangst. Ook gepest worden is naar. Het is dan moeilijk de motivatie en concentratie op te brengen om te leren.

Beelddenkers zijn vaak hoogsensitief. Zij voelen de emoties van andere mensen en de sfeer in een groep vaak haarfijn aan. Van nature stemmen ze zich af op anderen, ze weten nog niet hoe ze zichzelf moeten beschermen.

Zonder zich ervan bewust te zijn, dragen deze kinderen naast de eigen gevoelens vaak ook gevoelens van de ander met zich mee. Ook buikpijn of hoofdpijn kunnen ze overnemen. Dit kan innerlijke chaos en angstig gedrag veroorzaken.

Het helpt als een kind begrip krijgt voor hoe het voelt, denkt en leert. Bespreek dit met het kind en neem eventueel een coach in de arm voor begeleiding. Vaak zijn een paar sessies al genoeg om het kind zich beter te laten voelen!

Tips:

  • Zorg voor een warm en veilig nest.
  • Maak tijd voor het kind.
  • Luister naar het kind.
  • Laat het kind voelen dat je van hem houdt ongeacht de resultaten op school.
  • Besteed aandacht aan de mogelijke problemen.
  • Zoek samen naar oplossingen, betrek het kind erbij.
  • Hou de communicatie met school open.
  • Benadruk het positieve! Vertel waar het goed in is.
  • geef waar nodig eerlijk opbouwende kritiek op zijn gedrag (“je had dit misschien beter kunnen leren”).
  • Val nooit zijn persoon aan (“Je bent dom”).
  • Vertel het kind niet steeds wat het (nog) niet kan.
  • Geef complimenten over hoe het kind iets doet en niet over het eindresultaat. Bijvoorbeeld: wat heb je mooie kleuren gebruikt in die tekening.

Negatief zelfbeeld

negatief.pngBeelddenkers worden vaak niet begrepen. Ook blijven schoolprestaties, ondanks een voldoende tot hoge intelligentie, vaak achter. Meestal zoekt hij de tekortkomingen bij zichzelf. ‘Ik zal wel dom zijn.’”Ik kan niets en ik ben niets”. Het gevolg hiervan is vaak een laag zelfbeeld en/of een hardnekkige onzekerheid.

Van “andersdenkenden” wordt verwacht dat zij zich aanpassen. Ze komen minder toe aan het ontplooien van hun eigen mogelijkheden. Naarmate een beelddenker zich steeds weer tegenkomt op school, gaat hij steeds minder van zichzelf en zijn omgeving begrijpen.

Redenen waarom beelddenkers vaak een zwak zelfbeeld hebben

  • Functioneren en presteren vaak niet goed op school
  • Moeten zich vaak aanpassen
  • Stellen vaak hoge eisen stellen aan zichzelf (perfectionisme)
  • Overzien wat ze nog niet weten en niet kunnen
  • Omgeving reageert vaak negatief op ze
  • Ervaren dat ze anders zijn dan andere kinderen.

negNegatieve spiraal

Met een laag zelfbeeld kunnen kinderen in een negatieve spiraal terechtkomen. Vanaf een jaar of 12 begint de zelfwaardering bij de meeste pubers te dalen.

Pubers richten zich op deze leeftijd steeds meer op anderen dan hun ouders. Tegenover je mede-pubers moet je je meer waarmaken dan tegenover je ouders.

Rond het 15e jaar is de het zlefbeeld op een dieptepunt; over het algemeen stijgt het daarna gelukkig weer snel.

 

Signalen van een negatief zelfbeeld

  • niet willen oefenen
  • moeite met kritiek
  • snel beledigd
  • vaak boos
  • vooral negatieve verwachtingen van zichzelf
  • vraagt vaker om hulp dan nodig
  • vindt het moeilijk hulp te aanvaarden.
  • weinig zelfreflectie
  • trekt zich falen sterk.
  • vergelijkt eigen prestaties met die van van anderen.
  • stellen van onbereikbare doel (zodat het gewoon “te moeilijk” was)
  • doel juist laag stellen
  • uitstelgedrag.
  • geringe inspanning leveren

Slechte cijfers werken niet

Het is natuurlijk fijn om goede cijfers te halen. Ze zijn een beloning, geven een gevoel van trots en voldoening en dat bevordert het leren. Deze positieve gevoelens helpen bij een goed zelfbeeld.

Slechte cijfers werken niet; ze houden het leerproces zelfs tegen. Bij vakken waar al slechte cijfers zijn gehaald maakt de leerling voor zijn idee nauwelijks een kans. Als hij dan, tot overmaat van ramp, een docent treft die hem niet begrijpt of motiveert, zal hij zich afkeren van dit vak.

De leerling voelt zich tekortschieten en gaat twijfelen aan zichzelf, wat leidt tot schaamte, boosheid en machteloosheid. Dit machteloze gevoel kan leiden tot een “laat maar zitten” houding. Je ziet dat de leerling uitvluchten gaat zoeken: “Ik vind het een stom vak.”, “Ik mag de lerares niet”, ” Ik laat het volgend jaar toch vallen.”

Het vermijden van vergelijkbare situaties betekent dat een kind niet ziet dat het beter gaat als het blijft proberen en geen succeservaringen opdoet.

Faalangst

Deel 1 van 4 in de serie Faalangst

faalangstVeel beelddenkers hebben vaak de neiging tot faalangst en onzekerheid. Hierbij hoort ook een ‘dom’ voelen ondanks duidelijk aanwezige capaciteiten.

Ze hebben een perfect plaatje in hun hoofd waar ze eigenlijk nooit aan kunnen voldoen. Ze verwachten veel van zichzelf. Een tekening die ze voor zich zien, levensecht, komt bijna nooit zo op papier. Vaak wordt de tekening uit frustratie verscheurd en weggegooid.

Faalangst is de angst dat je niet voldoet aan de gestelde verwachtingen. Het heeft te maken met het kind zelf (dat de hoge lat legt), meestal met andere mensen (die de eisen stellen) en met zelfvertrouwen.

Faalangst wordt meestal veroorzaakt door negatieve ervaringen tijdens de schoolloopbaan of in de opvoeding. Het kan ook zijn dat er erg hoge verwachtingen zijn van het kind. Als een van de ouders last heeft van faalangst kan het kind dit overnemen (kopieergedrag).

Kinderen kunnen zich persoonlijk verantwoordelijk gaan voelen, en voelen zich minderwaardig als ze niet aan de eisen (kunnen) voldoen. Soms gaat het zo ver dat kinderen zich isoleren van klasgenoten en vrienden.

Faalangst is een probleem waar veel jongeren op school mee te maken hebben. In de brugklas heeft één op de tien leerlingen last van faalangst, terwijl dat getal in de eindexamenjaren oploopt tot gemiddeld een op de vijf leerlingen.

Er zijn drie soorten faalangst

  • Cognitieve faalangst: angst om niet te voldoen aan de eisen. Het kind is bijvoorbeeld bang dat het een onvoldoende haalt terwijl het wel goed is voorbereid.
  • Sociale faalangst: angst in het contact met andere mensen. Dit uit zich bijvoorbeeld in het praten in een groep, of om iets vragen bij de supermarkt.
  • Motorische faalangst: angst om het lichaam te gebruiken, bijvoorbeeld optreden bij een autorijexamen. Op zulke momenten voelt iemand met motorische faalangst zich als ‘verlamd’.

Behoefte aan een duidelijk doel

wolkDe beelddenker leert vanuit het geheel. Het helpt als duidelijk is wat het einddoel is, wat er geleerd moet gaan worden en vooral waarom het wat moet leren. Op die manier kan hij ergens naartoe werken.

Het is wel belangrijk dat het kind snapt dat je met inzicht alleen niet alle kennis krijgt die je nodig hebt in het leven, dat sommige dingen wel geleerd moeten worden.

Impulsief gedrag (primair denkproces)

patienceIedereen wordt geboren met een dominante rechter hersenhelft. Logisch, want de taalontwikkeling en het beredeneren komt pas op latere leeftijd. Een baby snapt bijvoorbeeld noet niet dat hij soms even moet wachten met eten, hij heeft honger, NU! We spreken dan van een primair denkproces.

Mensen die primair denken willen hun behoeften direct vervuld hebben. Het gevolg hiervan is impulsief gedrag.

Freud schrijft hierover: dit denken ontstaat vanuit een instinctieve drift,het denken zelf is een omweg naar directe bevrediging. Het verzinnen van mechanismen en trucs om toch te krijgen wat iemand in zijn hoofd heeft, maakt een mens inventief.

Het primaire denkproces komt tot uiting in humor en kunst. Het secundaire denkproces stelt gecontroleerd de behoefte tot bevrediging uit tot een geschikt moment.

Secundair denkproces:

Rond het tiende levensjaar is de linker hersenhelft zo goed als ontwikkeld en neemt het secondaire denkproces de overhand. De meeste kinderen weten zich redelijk te beheersen als ze hun zin niet krijgen. Ze bekijken de omstandigheden.

Veel beelddenkers blijven echter de voorkeur houden voor het primaire denkproces.

Resultaat:

  • weinig geduld
  • autoriteiten maken niet veel indruk
  • gevoel van binnen overheerst
  • accepteren geen nee
  • geen uitstel dulden
  • obsessie of “hyperfocus” (bijvoorbeeld door een spelletje)
  • afstand nemen van een situatie is moeilijk
  • wat gedaan wordt gebeurt intensief

Faalangst op school

Deel 2 van 4 in de serie Faalangst

leerkrachtCognitieve faalangst is faalangst die te maken heeft met het leren.

Deze vorm van faalangst komt voornamelijk voor in de schoolse omgeving. Het betreft zowel het oppakken van nieuwe leerstof als het toetsen van de bestudeerde stof.

Deze leertaken kunnen zodanige angst opleveren (klamme handen, hoofdpijn, hartkloppingen en buikpijn) dat de leerling belemmerd wordt in zijn leerproces.

Het toppunt van cognitieve faalangst is natuurlijk het proefwerk of de overhoring.

Door goed te kijken en te luisteren naar leerlingen kan de leerkracht signalen opvangen die wijzen op faalangst. Lichamelijke reacties, zoals klamme handen, buikpijn, transpireren, hartkloppingen, misselijkheid en hoofdpijn. Al deze zaken kunnen de leerling erg belemmeren in zijn leerproces.

Faalangst kan zich op verschillende manieren laten zien. Er zijn perfectionisten en actieve vermijders tegenover uitstellers, opgevers of passieve vermijders. Perfectionisten leren heel veel, zeer nauwgezet en uit het hoofd. Als er iets misgaat raken ze in paniek. Uitstellers, opgevers en vermijders verminderen hun spanning door niet mee te doen.

Wat kan je als leerkracht doen?

De interactie tussen leerkracht en leerling bepaalt in hoge mate het al of niet faalangstig zijn van leerlingen. Je kunt als leerkracht veel doen om deze leerlingen te helpen.

Procesgerichte begeleiding

Besteed meer aandacht aan het proces en minder aan het eindprodukt. Leerlingen met faalangst krijgen dan onderweg al een beter gevoel. Denk aan opmerkingen als:

  • Hartstikke goed, dat je je profielwerkstuk zo mooi op tijd hebt afgekregen
  • Wat leuk, dat je een origineel onderwerp voor je spreekbeurt hebt gevonden!
  • Jammer van die onvoldoende, juist nu je er zo voor knokt om je gemiddelde omhoog te brengen!

Daarnaast is fijn als je met het kind praat over de faalangst. Maak duidelijk dat het kind ertoe doet! Dat de prestaties losstaan van hoe jij het kind ziet.

Zeg dat het je opvalt dat het kind zich onzeker voelt en vraag of je hem of haar kunt helpen. Spreek  af dat het kind je altijd om hulp kan vragen.

Wat kun je verder doen?

  • maak duidelijk dat de leerling ertoe doet
  • voorspelbaarheid in de communicatie
  • consequent gedrag naar leerlingen
  • zeg het kind dat je gelooft dat hij het kan
  • maak duidelijk dat je geen perfectie verwacht
  • gebruik positieve nakijkmethoden (bijv. aangeven wat goed is ipv fout)
  • zorg voor een vriendelijke en veilige sfeer in de klas
  • maak duidelijke afspraken over prestatie
  • zorg dat het doel duidelijk is
  • leer het kind plannen

Veel informatie over faalangst op school kun je vinden op: www.faalangst.nl

Een geweldige lijst met tips en adviezen vind je op www.orthoconsult.nl

Dit filmpje geeft tips hoe je als leraar met faalangst kan omgaan.

Lege woorden overslaan

Onze taal bevat veel woorden waarbij je direct een beeld kan oproepen zoals: maan, ster, vis en hond.

Deze woorden geven meestal geen problemen bij het lezen.

Onze taal bevat ook veel woorden waarbij niet direct een duidelijk beeld op te roepen valt, zoals bijvooorbeeld lidwoorden, abstracte zelfstandig naamwoorden,  en bijvoeglijk naamwoorden. Vaak gaat het maar om kleine woordjes zoals geen, niet, de, het, een, omdat, die, dat, enz.

Beelddenkers slaan deze woorden vaak over omdat ze voor hen eenvoudigweg geen betekenis hebben. Een beelddenker onthoudt in beelden. Hoe moet je een woord onthouden als er geen beeld bij hoort?! Bij het lezen maar ook bij het schrijven zullen ze deze woorden vaak overslaan.

Dit levert een probleem op bij het halen van de leesniveau’s op school, hier wordt namelijk streng op gelet. Ook begrijpend lezen kan een probleem zijn, zeker bij vragen op het examen als: Waar slaat het woord “omdat” op?

Tijdens de training ‘Ik leer anders’ slaan we al deze woordjes op als plaatjes. Lezen gaat daarna een stuk makkelijker!

Topdown leren; vanuit een totaalbeeld

beelddenken Een niet-beelddenker (woorddenker) verzamelt informatie en maakt daar later een geheel van. De leerstof wordt logisch opgebouwd, van A naar Z, stapje voor stapje worden kleine stukjes informatie samengevoegd tot een geheel.

Deze aanpak werkt niet voor de beelddenker. Die voelt zich volkomen verloren omdat er geen overzicht bestaat en er geen zinnige verbanden zijn te leggen. Bij gebrek aan het totaalbeeld falen alle pogingen daartoe. De losse stukjes gaan een eigen leven leiden en dragen niet bij aan het geheel. Het is als puzzelen  zonder voorbeeld.

Topdown leren

Een beelddenker kijkt vanuit een totaalbeeld (een samenvatting, hoofdstuk of boek, alfabet, cijferveld 1-100). Daarna kan hij dit beeld gaan invullen. Dit doet hij door associatie; in het geheugen gaat hij op zoek naar verbanden vanuit verschillende gezichtspunten; zo wordt nieuwe informatie wordt gekoppeld aan bestaande informatie.

Denkwijze, sorteergedrag beelddenker

Op jonge leeftijd zie je kleine beelddenkers vaak hun speelgoed sorteren. Ze zoeken naar gelijken en rangschikken deze netjes op rij.

Voorbeeld op school:

Leerlingen die in beelden denken, moeten eerst het eindresultaat ‘zien’ of de samenvatting vooraf lezen. Anders wordt de lesstof in het verkeerde ‘vakje’ opgeslagen. Deze kinderen bundelen de informatie dan aan eigen informatie / herinneringen zoals in het onderstaande voorbeeld.

Les 1: De meester bespreekt het varken.

“Ik ben naar de bioscoop geweest naar Babe het varkentje.” De informatie verdwijnt in het hoofd in dit vakje.

Les 2 (week later): De meester bespreekt de koe.

“Bij de Mc Donalds zijn de hamburgers van koeien gemaakt. Ze hebben daar een ballenbak!”

Les 3 (weer een week later): De meester bespreekt de kip.

“Mijn hond heeft een speelgoed-kip. Ik speel vaak met mijn hond in de tuin.”

Les 4 (na 3 weken)

“Zo, we hebben de dieren van de kinderboerderij besproken”. Bij de beelddenker passen de in zijn hoofd gevormde bioscoop, ballenbak en rubberen kip niet in de kinderboerderij.

Een beelddenker ziet een totaalbeeld en kan dit moeilijk opbouwen vanuit losse deeltjes. Hij is wel in staat om vanuit een geheel terug te beredeneren (omgekeerd leren).

In het onderwijs wordt informatie altijd opgebouwd. Een bijna onmogelijke opgave voor een beelddenker. Aanleren om eerst het totaalbeeld te overzien om vervolgens terug te beredeneren om de lesstof in de klas te kunnen volgen.

Oplossing: top-down benadering, van het geheel naar de delen.

“We gaan de komende weken de dieren van de boerderij bespreken.”

Het beelddenkende kind maakt een vakje in zijn hoofd: de boerderij. Dit zal waarschijnlijk een echt beeld zijn van een stuk land, een huis, een tractor, stallen enz. De komende lessen kan de informatie over de dieren hierin worden verzameld.

 

Rommel in het hoofd

Beelddenkers geven zelf vaak al aan ‘Mijn hoofd zit zo vol’. Door het associëren en de vele beelden die ze zien is het een rommel in het hoofd.

Tijdens de training gaan we samen het hoofd opruimen. Ik ga het kind vragen waar de getallen zitten, en waar de letters. Beelddenkers weten precies wat je dan bedoelt! Op dit moment krijgt een kind al inzicht hoe het bij hem in elkaar zit. Meestal vinden ze het een rommel en willen ze daar graag wat aan doen (echt!).

Dan gaan we kamers of kasten maken waar gelijksoortige informatie verzameld wordt. Bijvoorbeeld een blauwe kamer voor taal en een rode kamer voor rekenen. Het kind visualiseert hoe de kamers eruit zien. Verder in het proces gaan we bijvoorbeeld de tafels opslaan in de rekenkamer, als een soort spiekbriefje. Woorden slaan we als plaatjes op in de taalkamer; het kind projecteert het woord op de muur.

Op het moment dat dingen zo worden opgeslagen is vaak nog wel wat herhaling nodig, maar na een week oefenen zit een tafel er bijvoorbeeld muurvast in. Ze lezen hem zo op “uit de kamer”. Doordat ze het als plaatje hebben opgeslagen kunnen de rijtjes van de tafels ook voor de deelsommen gebruikt worden (de cijfers blijven hetzelfde namelijk!).

Om structuur te geven aan de tijd kun je een planbord gebruiken. Die vul je op een vaste dag in de week en daarna slaan ze hem op als een plaatje.

Onderpresteren

afgeleidHet zit er wel in maar het komt er niet uit. Die uitspraak horen we erg vaak bij leerkrachten van beelddenkers. De stof die ze aanbieden landt niet op de een of andere manier.

Saai! Zegt de onder-presterende beelddenker vaak. Heel vaak. Bij makkelijke dingen, bij moeilijke dingen. In ieder geval bij dingen die niet de interesse hebben. Het is dan moeilijk de aandacht erbij te houden.

De hersenen sturen de gedachten automatisch naar interessantere dingen.

Hier kunnen ze vaak niets aan doen!

Ze voelen best dat ze afgeleid worden. Weten best dat ze beter zouden kunnen presteren. De omgeving helpt niet mee: “Je kunt het wel maar je wilt niet. Je bent gewoon lui. Gewoon wat vaker oefenen!”. Terwijl de beelddenker het met de juiste input en aansturing best kan!

Dit kan de basis zijn van faalangst, schuldgevoelens, onzekerheid en een negatief zelfbeeld.

Veel beter is het de stof op een manier aan te bieden die bij de beelddenker past en wel de interesse opwekt! Combineer dat met veel aanmoediging en weinig kritiek.

Geef de beelddenker daarnaast de tools om zijn talent te gebruiken! Zodra hij de leerstof kan omzetten naar zijn eigen manier van denken en leren, zal hij het een stuk makkelijker hebben op school!

Een 6 van een beelddenker is evenveel waard als een 8 van een woorddenker!

Moeite met tijdsdruk

Beelddenkers leven in een tijdloze wereld. Ze hebben niet veel met tijd en vinden het lastig in te schatten hoe lang ze voor iets hebben. Vijf minuten? Tien minuten? Een half uur? Géén idee hoe lang dat duurt!

Dat is lastig want de rest van de wereld draait wel om tijd. Ook op school is tijd erg belangrijk. Presteren onder tijdsdruk is lastig voor beelddenkers.

Maak een planning voor het huiswerk. Stel in ieder geval een tijdslimiet, na een bepaalde tijd wordt er toch niets meer geleerd.

Het is handig te oefenen met tijd zodat ze leren wat bijvoorbeeld een tijdsduur van 10 minuten inhoudt. Hiervoor zou je kunnen werken met zandlopers of bijvoorbeeld tijdklokken.

Voorbeelden van tijdklokken:

[posts-by-tag tags=”timer” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Moeilijk automatiseren

AutomatiserenBeelddenkers zijn ronduit slecht in het ouderwetse stampwerk. Ze hebben er ook geen belangstelling voor, ze zien er absoluut het nut niet van in.

Het feit dat veel scholen hier zo de nadruk op leggen maakt het lastig. Het is iets dat verwacht wordt maar wat niet lukt. Hoe frusterend is dat?

Neem het automatiseren van de tafels: een drama. Ook sommen onder de 20 leveren problemen op, ze blijven deze uitrekenen. Soms wordt de diagnose dyscalculie gesteld.

Verder hebben beelddenkers erg veel moeite met het onthouden van “dode” dingen zoals namen van personen, topografie en jaartallen.

Automatiseren is het zodanig aanleren van een taak (zoals fietsen, touwtje springen of lezen of spellen) dat je deze taak direct en zonder erover na te denken kan doen of zeggen. De geautomatiseerde taak kan vervolgens uitgevoerd worden:

  • zonder bewuste controle, dus zonder nadenken
  • zonder veel aandacht
  • op verschillende niveaus van moeilijkheid

Een beelddenker moet voordat hij het kan doen iets eerst begrijpen. Bij automatiseren is het juist de bedoeling dat je iets kan doen zonder erbij na te denken. Tegengestelde belangen dus!

Vaak zien beelddenkers de zin van het automatiseren ook niet. ze moeten eerst iets begrijpen voordat het geautomatiseerd kan worden.

Dat maakt het automatiseren lastig. Vaak wordt er door de beelddenker gekozen voor concrete methodes zoals op de vingers rekenen. Als het kind ouder wordt komt het in de problemen als de manier te traag is.

Leren door kijken

Vaak zie je dat beelddenkers niet leren fietsen door oefenen maar door kijken. Eerst brengen ze het beeld van de acties in hun hoofd. Soms hoeven ze dan alleen nog maar op te stappen en weg te fietsen.

Het automatiseren op de ouderwetse manier werkt vaak niet bij beelddenkers. Stampen helpt niet bij deze kinderen. Wat er geleerd is zijn ze binnen de kortste keren weer kwijt, het wordt niet doorgesluisd naar het lange termijn geheugen.

Hoe lukt het wel?

Beelddenkers kunnen wel dingen uit hun hoofd leren, alleen doen ze dat op een andere manier.

  • Leg uit waarom het zo belangrijk is dat het geleerd wordt,
    illustreer dit met bijv. een tafelsom die je op laat tellen of gewoon
    weet.
  • Inzicht en doorzicht gaan vooraf aan automatisering.
  • Niet uit het hoofd laten leren maar laten zoeken naar samenhang.
  • Laat dingen visueel opslaan.
  • Nooit instapdictees.
  • Leer woordbeelden aan.
  • Laat ze leren met meerdere zintuigen. Dus bijvoorbeeld:
    • Bewegen tijdens het tafels opzeggen.
    • Zingen van de tafels.
    • Tekening maken van sommen.
    • Honderdveld gebruiken om e.e.a. visueel te maken.
  • Eén strategie aanbieden bij rekenen.

 

 

Problemen met tijd en volgorde

beelddenkenBeelddenkers hebben moeite met het verwerken van sequentiele informatie (tijd en volgorde). Op school ligt hier de nadruk juist op. Lezen, schrijven, spelling, rekenen, alles draait om volgorde.

Beelddenkers willen informatie het liefst als geheel verwerken. Een beeld heeft geen begin en geen eind. Dat is lastig als het beeld vertaald moet worden naar een verhaal. Hoe maak je het samenhangend verhaal, wat heb je verteld en wat niet, waar begin je met vertellen en wat is dan het einde van je verhaal?

Slechte planning en weinig tijdsbesef

De Tijd VliegtBeelddenkers leven in een oneindige zee van tijd. Het begrip “tijd” is voor hen abstract. Hun interne klok draait vaak te snel of te langzaam (of helemaal niet).

Een tijdloos omniversum

Beelddenkers denken altijd meer tijd ter beschikking te hebben dan er  feitelijk is. Ze komen eeuwig te laat, schatten tijd verkeerd in en hebben geen idee welke dag of maand het is. Ze denken dat ze tijd genoeg hebben om alles te organiseren maar plotseling is het dan al tijd om te vertrekken. Plannen onmogelijk veel zaken op een dag. Terwijl er nog van alles moet gebeuren. Chaos alom!

Dit kan zeer uitputtend zijn; vooral voor de omgeving die zich moet aanpassen. Probeer er niet te boos om te worden, het is niet persoonlijk bedoeld; het is echt een onvermogen.

Wat kan helpen?

Voor afspraken die echt niet gemist mogen worden biedt de mobiele telefoon uitkomst (als ze die kunnen vinden). Veel kalenders zoals bijvoorbeeld Google Calendar zijn zo in te stellen dat er een dag en/of bijv. een uur voor de afspraak een berichtje wordt gestuurd.

Werken met visuele planborden, taken afbakenen en de dagindeling helder houden kan de nodige rust opleveren. Voor kleine kinderen kan je de tijd visueel maken met bijvoorbeeld een grip-op-de tijd-horloge.

Tijdens de training ‘Ik leer anders’ leer je klokkijken.

Beelddenkers hebben veel aan planborden en speciale timers.

[posts-by-tag tags=”timer” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Zwakke concentratie

imagesBeelddenkers hebben van nature een spontane onoplettendheid. De woorden die ze horen roepen beelden op. Die beelden associëren ze weer met andere beelden, hun aandacht dwarrelt weg en ze vergeten op te letten.

De linker hersenhelft valt bij deze kinderen makkelijk stil. Daarom zie je dat kinderen vaak gaan wiebelen om de aandacht erbij te kunnen houden. Onbewust stimuleren ze op deze manier hun linker hersenhelft.

Ze doen het dus niet expres!

Hoe langer het verhaal, hoe moeilijker het is om er met de aandacht bij te blijven.

Tegen de tijd dat er wat gedaan  moet worden kan de beelddenker behoorlijk in paniek raken. Want in de verte heeft hij wel wat gehoord van de opdracht, maar eigenlijk weet hij niet precies wat hij moet doen.

Vraag dan: “Wat ga je doen?”. Door deze vraag te stellen – en te beantwoorden – is hij direct weer bij de les en kan hij aan het werk.

Het kan ook zijn dat de beelddenker even tijd nodig heeft de opdracht te laten landen. Soms heeft het even bezinkingstijd nodig.

tangleBeweging helpt!

Wat kan helpen de aandacht vast te houden is beweging.

Laat het kind tijdens de uitleg rommelen met een tangle of stressballetje of iets dergelijks. Of laat het kind tekenen of een  mindmap maken. Dat helpt om de aandacht vast te houden.

Lees hier meer over hoe je de concentratie kan verbeteren.

Beelddenkers leren anders

Carolyn_-Eyles_teaching_09Leren is een natuurlijk proces. Op het moment dat je afwijkt van het natuurlijke proces en probeert te leren op een manier die niet bij je past, heb je een uitdaging. In het ergste geval resulteert het in een ongelukkig kind dat slecht presteert op school.

Een beelddenker denkt van nature in beelden. In de `talige` omgeving van school kan dit kind het zwaar hebben. In feite wordt geprobeerd de beelddenker te laten leren als een woorddenker. Dat zal nooit gaan lukken. Dit uit zich vaak in problemen op school.

Waar woorddenkers leren vanuit de details en de herhaling, leren beelddenkers vanuit het overzicht, door associatie en door het zelf doen en ontdekken. Bij het leerproces is het belangrijk dat alle zintuigen worden gebruikt.

Pas de manier van lesgeven aan!

De methodes op school sluiten vaak niet aan bij de wereld van de beelddenker. Als het het kind niet lukt om iets te leren met een bepaalde methode moet er een manier gezocht worden die wel werkt.

De enige manier waarop de beelddenker goed zal kunnen functioneren is als de manier van lesgeven wordt aangepast. Help het kind te ontdekken hoe het het beste leert, ze weten dat niet vanzelf. Help hem meerdere oplossingen voor een probleem te vinden.

Het is belangrijk de leerstof zo aan te bieden dat het kind de interesse vasthoudt. Bij beelddenkers zie je vaak dat ze prima kunnen leren als de stof hen interesseert! Het is belangrijk dat het kind nieuwsgierig en leergierig blijft en plezier houdt in het leren.

Wat werkt?

Wat voor een taaldenker moeilijk is kan voor een beelddenker makkelijk zijn en andersom. Het is de moeite waard uit te proberen wat werkt.

Het kind moet leren de informatie op zijn eigen manier te verwerken. Die manier is anders dan men gewend is op school en vraagt dus om een aangepaste manier van lesgeven.

Naarmate het onderwijs zich meer op begrip richt, komt er meer ruimte voor de positieve kant van het beelddenken.

Slecht handschrift, mogelijk dysgrafie

Schrijven
Sommige kinderen schrijven erg langzaam of slordig. Hoe ze ook hun best doen, het komt niet goed en netjes op papier.  Het kost meer dan gewone inspanning om de lettervormen te automatiseren; de letters rollen nooit vanzelf uit hun pen.
Voor de beelddenkers is het wéér een extra stap in het denkproces (van beeld naar woord naar geschreven woord). Vanuit de beelden wordt de tekst als het ware vertaald naar wat er zou kunnen staan. De beelden verdringen de woorden.
Bij het opschrijven worden de woorden zacht mompelend gespeld en is het moeilijk de letters in de juiste volgorde neer te zetten. Ook zie je vaak dat er niet recht op de regel wordt geschreven en dat er grote verschillen zitten in de grootte van de letters. Vaak worden de letters eerder getekend dan geschreven.

Het ligt niet aan de motoriek!

Deze kinderen zijn vaak wel goed in tekenen. Een slecht handschrift heeft namelijk niets te maken met (fijne) motoriek. Schrijven is niet hetzelfde als bewegen; het is een nauwkeurige vaardigheid die hoofdzakelijk drie vingers gebruikt. Als een kind kan kleuren en tekenen kan het motorisch gezien ook schrijven.
Programma’s voor handschriftverbetering die zich zuiver op de motoriek richten brengen nauwelijks of geen verbetering tot stand. Ook de “schrijfdans” (met twee armen tegelijk bewegingen maken op grote vlakken op muziek) heeft jammer genoeg niet veel zin.
Laat kinderen die problemen hebben met schrijven veel op de computer werken! Dit gaat ze veel beter af; het kost ze veel minder energie zodat ze op dat moment kunnen focussen op wat op dat moment echt belangrijk is (de leerstof in plaats van het schrijven).

Mogelijke oorzaken van een slecht handschrift:

  • Niet schrijfrijp
  • Automatiseringsprobleem
  • Vermenging schriftsoorten
  • Slechte schrijfmethode

Niet schrijfrijp

Het kind is te vroeg begonnen met leren schrijven. Een kind moet “schrijfrijp zijn”.  Schrijfrijp betekent dat er voldoende hersenverbindingen aanwezig zijn om draairichtingsveranderingen, abstracte letterzones en het probleem van het translaterend bewegen te kunnen doorzien. Een kind is dus niet altijd “schrijfrijp” aan het begin van groep 3; dit kan getoetst worden door een “schrijfrijpheidstoets”.

Automatiseringsprobleem

Schrijven maar ook lezen, taal en rekenen zijn in groep 3 nog in een aanleerstadium. Schrijven is, net als lezen, taal en rekenen, een cognitieve vaardigheid. Wij verlangen van onze groep 3 kinderen dat ze twee dingen tegelijk automatiseren maar dit is praktisch onmogelijk! Denk eens aan je eerste autorijles: een inhoudelijk gesprek tijdens het sturen is dan ook nog geen optie! Gevolg hiervan is dat iedere letter steeds weer bedacht, getekend wordt.Bij de training “Ik leer anders” worden alle letters opnieuw opgeslagen in het hoofd. Door het visualiseren worden de letters geautomatiseerd en krijgt de leerling het makkelijker met schrijven.

P1220023Vermenging schriftsoorten

Omdat de kinderen nog niet kunnen schrijven in lusletters gebruiken ze tijdelijk een soort imitatie van de drukletter. Bij het overgaan naar de aan elkaar verbonden lusletters hebben vooral de zwakkere leerlingen het zwaar en mengen ze de diverse schriftsoorten door elkaar. Eventueel kun je ervoor kiezen een kind gewoon in blokletters te laten schrijven.

Goede schrijfmethode

In een goede schrijfmethode wordt veel aandacht gegeven aan de volgende zaken:
  • duidelijke en functionele lettervormgevingskennis: vertel over de vormgeving van de letters; het onderscheid tussen rechte en gebogen lijndelen, wáár letter uit- en invoegen en wat de verhoudingen zijn, zowel van de breedte-/hoogte als van de letterdelen onderling.
  • Gebruik vooral korte lussen! Door te lange lussen gaan de regels in elkaar haken en ziet het handschrift er minder goed uit.

Aanbevelingen:

Beelddenkende kinderen zijn gebaat bij:
  • voordoen: cijfers en letters zien ontstaan op het bord of op het beeldscherm
  • pijltjes:  het traject van de cijfers en letters aangeven door pijltjes
  • beeldhouwen van cijfers en letters met klei
  • afmaken van een letter of cijfer
  • gebruik maken van het PD Bord; een dubbelzijdig schoolbord ontwikkeld door Professor Mesker. Deze methode stimuleert hersenhelften actiever samen te werken. Meer informatie kun je vinden in het boek Dyslexie en touwtjespringen.
  • laat ze eventueel in blokletters schrijven, dat kost minder energie
  • laat ze zoveel mogelijk op de computer werken

Beeldmateriaal: Dianne Craft op Youtube

Problemen met rekenen, mogelijk dyscalculie

math_elementary_1Veel beelddenkers hebben problemen met rekenen. Het komt ook vaak voor dat de cijfers nog niet zijn geautomatiseerd. Cijfers zijn abstract, dat maakt het moeilijk. Ook automatiseren op de schoolse manier is lastig voor beelddenkers.

Veel beelddenkers leren fonetisch (op klank) waardoor ze de cijfers omdraaien. Vijfentwintig, je hoort eerst de vijf en dan pas de twee. Toch schrijf je 2-5. Vaak schrijven ze eerst de vijf en dan de twee ervoor. Of op jonge leeftijd: 5-2. Cijfers staan bij beelddenkers vaak niet achter elkaar, het zijn losse plaatjes. 28 klinkt hoger dan 30 (30 is een drie met een nul, drie dus).

Het rekenen wordt voor beelddenkers beter te overzien als het honderdveld wordt ingezet. Het kind heeft een totaalbeeld van de eerste honderd cijfer. Het rekenen kan je visueel maken door het maken van sprongen in het honderdveld. Ook tafels kun je goed uitleggen, die maken een patroon!

In de methode Ik leer Anders worden breuken vermenigvuldigen, delen, optellen of aftrekken duidelijk uitgelegd.

Niet alle beelddenkers zijn slecht in rekenen; soms blinken ze er juist uit in uit doordat ze het zien als puzzelen!

 

[posts-by-tag tags=”rekenen” number=”99″ excerpt=”true” thumbnail=”true” excerpt_filter=”false” order=”asc”]

Problemen met taal, mogelijk dyslexie

Dyslexic_wordsBeelddenken wordt vaak verward met dyslexie. Niet alle beelddenkers zijn dyslectisch, maar de meeste dyslectici zijn wel beelddenkers.

Dyslexie (ook wel woordblindheid) is een verzamelnaam voor een aantal aandoeningen die gepaard gaan met problemen met vooral geschreven taal.

Er zijn verschillende vormen van dyslexie. Sommige dyslectische kinderen hebben veel baat bij RT, bij anderen heeft het geen of weinig effect.

Deze kinderen hebben als beelddenkers hebben een groot talent: visualiseren! Dat talent gaan we natuurlijk gebruiken!

Zwevende letters

Bij veel beelddenkers “zweven” de letters door het hoofd. Ook hebben ze geen idee hoeveel letters er zijn. Wel dúizend, hoor je wel eens.

Beelddenkers zien letters als losse plaatjes, 3-dimensionaal. Als je de letters willekeurig kan draaien, spiegelen en kantelen dan heb je een probleem om het verschil tussen een d – b – p – q te zien. Klanken worden daarom niet op juiste wijze aan deze plaatjes gekoppeld. Tijdens de training gaan we het alfabet nog een keer opslaan. Dit geeft een vaste plek aan de letters.

Hardop lezen is lastig!

De meeste beelddenkers hebben moeite met hardop lezen. Dit komt omdat tijdens het lezen een voortdurende vertaalslag aan de gang is van gelezen woord naar beeld naar gesproken woord. Lege woorden (woorden zonder beeld zoals de, het, dat, hulpwerkwoorden enz.) worden overgeslagen. Op school is het belangrijk dat de teksten foutloos en volledig gelezen worden.

Stillezen kunnen beelddenkers vaak wel heel snel!

Visueel opslaan

Tijdens de training worden de lege woordjes opgeslagen en je leert hoe je woorden waar je moeite mee hebt (dictee) kan onthouden via woordbeelden. Als het woordbeeld goed opgeslagen is kunnen kinderen met gemak van voren naar achteren spellen en van achteren naar voren. Dit is iets waar ze écht heel goed in zijn, je ziet hun zelfvertrouwen groeien! Op dat moment kom je in een positieve cirkel terecht en kan lezen weer leuk worden.

Na de training ‘Ik leer anders’ kan je bijna altijd direct sneller hardop lezen (1 of 2 AVI-niveaus). Dat scheelt op school!

Er is veel praktisch en leuk oefenmateriaal te vinden op www.leestrainer.nl.