Radend lezen

Deel 4 van 7 in de serie Leren lezen

800px-WoordrijtjesSommige lezers raden het woord op grond van een aantal visuele kenmerken. Vaak herkennen ze de letters niet of kunnen ze klanken niet samenvoegen. Goed lezen is dan onmogelijk, de beste optie is raden of gokken.

De neiging tot raden en gokken wordt groter onder druk, zoals hardop lezen; vooral klassikaal, te lezen. Ook tijdsdruk werkt radend lezen in de hand. Stillezen gaat deze lezers vaak veel beter af!

Fouten tijdens het lezen

De radende lezer is vaak een spellende lezer geweest en maakt veel gebruik van de context. Hij heeft een vlot tempo maar maakt veel fouten die hij zelf niet opmerkt. Soms worden woorden verkeerd gelezen of vervangen door woorden die erop lijken. Hij slaat vaak een woord of lettergreep over, keert de volgorde om of spreekt een woord verkeerd uit door een verkeerde lettergreep-verdeling. Het kan ook zijn dat het kind de lege woordjes, zoals ‘de’ of ‘een’ overslaat.

Beelddenkers lezen ook vaak radend, op visuele herkenning. Daarnaast wordt het gelezen woord ook nog omgezet in een beeld. Dit maakt het proces nog moeilijker. Vaak leren ze zichzelf lezen via een eigen systeem.

musDe beelddenker

  • leest de zin of alinea (bijv. de mus zit op het dak)
  • vertaalt dit in een beeld (plaatje van vogel-dak)
  • vertaalt dit weer naar woorden (de vogel zit op de schuur)

De strekking van de zin is uiteindelijk wel duidelijk maar de informatie is toch echt anders.

Er zijn twee soorten radend lezen:

  • Anticiperend lezen:
    Radend lezen, scannend lezen, waarbij er wordt gekozen voor woorden die in de context passen. De lezer leest bijvoorbeeld ‘paleis’, als er ‘kasteel’ staat.
  • Gokkend lezen:
    Bij onvoldoende leestechniek slaat het raden om in gokken en passen de woorden niet in de context. Hierbij wordt maar wat geroepen.

Het is belangrijk dat zwakke lezers werkelijk leren lezen: niet radend, niet op de inhoud vooruit lopend, maar gewoon lezen wat er staat. Met het maken van leeskilometers zullen ze vanzelf meer woordbeelden opslaan, ook van minder voorkomende woorden, en gaan ze meestal minder radend lezen.

Lege woorden

Voor een wat vlotter tempo is het belangrijk dat de lege woorden visueel zijn opgeslagen. Deze woorden hebben geen bijbehorend beeld waardoor er vaak op wordt gehaperd. Vaak worden ze helemaal overgeslagen, wat slechtere scores oplevert op de AVI toets.

Voordeel bij vreemde talen!

Radende lezer zijn beter in het lezen van Engels dan verwacht. Engels heeft een onregelmatige schrijfwijze. Voor het schrijven in het Engels is dit helaas niet het geval.

In het Engels kunnen lettercombinaties in verschillende woorden heel verschillend worden uitgesproken (have – slave). Gelijke klanken kunnen een heel andere schrijfwijze hebben (meet – meat). Soms gaat lezen in het Engels zelfs beter dan in het Nederlands, omdat de nadruk op het spellen wegvalt.

AVI leesniveaus en toetsen

Deel 7 van 7 in de serie Leren lezen

Homework-routineHet technisch leesniveau van een kind geeft aan hoe goed het kind de woorden van een tekst kan lezen. Dit wordt uitgedrukt in een Avi-niveau (Analyse van Individualiseringsvormen.)

Het Avi-niveau wordt door school regelmatig getoetst.

Er zijn twaalf Avi-niveaus: Avi start, M3, E3, M4, E4, M5, E5, M6, E6, M7 en E7 en Avi plus. De niveaus zijn gekoppeld aan de leerjaren. Er wordt onderscheid gemaakt in het niveau halver-
wege het leerjaar (M voor Medio) en aan het einde van

het leerjaar (E voor Einde). Avi-start is het eenvoudigste niveau voor kinderen die net beginnen met lezen, Avi-Plus is het hoogste niveau

Moeilijke boeken zijn makkelijker!

Het Avi-niveau van een boek geeft aan of een boek veel of weinig moeilijk leesbare woorden bevat.

Hier ligt een valkuil: Boeken met een laag Avi-niveau bevatten veel korte woorden. Korte woorden hebben een minder duidelijk woordbeeld dan lange woorden. Dat betekent dat boeken met een hoger niveau voor een beelddenker vaak beter leesbaar zijn! Bovendien is het fijner een iets moeilijker boek te lezen wat interessant is dan een saai makkelijk boek.

Vaak vinden beelddenkers het ook fijn om stripboeken te lezen; hou dit vooral niet tegen; lezen is lezen! Ook een encyclopedie vinden ze vaak leuk!

De Avi-toets

De Avi-toets bestaat uit in totaal 22 korte teksten.
Tijdens de afname leest de leerling de tekst op de kaart hardop voor.
De leerkracht houdt bij hoeveel fouten de leerling maakt en hoe lang deze erover doet.
Per kaart is vastgelegd hoeveel fouten een leerling mag maken en hoe lang hij erover mag doen.
Bij te veel fouten of als er te veel tijd nodig is, dan is de tekst nog te moeilijk.
De leerkracht kiest dan voor een makkelijkere kaart.
Bij weinig fouten en een goede tijd  krijgt de leerling nog een moeilijker kaart te lezen.

Beelddenkers scoren vaak slecht

Beelddenkers scoren vaak slecht op AVI toetsen. Er moet secuur gelezen worden; beelddenkers lezen vaak radend of globaal. Bovendien slaan ze de lege woorden over; wat erg zwaar wordt aangerekend in de AVI toets. Het kan helpen de lege woordjes visueel op te slaan en bij te laten wijzen met de vinger of een leespijl.

Leesproblemen

Deel 2 van 7 in de serie Leren lezen

kid-readingLeren lezen gaat niet altijd vanzelf. Sommige kinderen raken achter omdat het leesonderwijs hen onvoldoende aanspreekt. Ze zijn meer doeners dan stilzitters. Andere kinderen raken achterop omdat het tempo in de klas voor hen vrij hoog ligt, of omdat de leesmethode van de school steken laat vallen.

Zwakke lezers hebben vaak moeite met het onthouden van talige informatie. Ze hebben in veel gevallen een kleinere woordenschat en hun decodeer-snelheid is minder groot. Vaak hebben ze ook problemen met het horen van verschillen in klanken of woorden, bijv. duur-deur. De leeftijd van negen jaar is een omslagpunt in het leesonderwijs, hierna leren kinderen veel minder snel.

Mogelijke oorzaken

  • Handicaps aan het gezicht of het gehoor
  • Zwakke cognitieve ontwikkeling
  • Zwakke sociaal-emotionele ontwikkeling
  • Gedragsproblemen (bijv. concentratieproblemen)
  • Andere leermethode
  • Slecht onderwijs
  • Slechte methode

Kinderen met leesproblemen komen vaak in een visueuze cirkel. Het lezen gaat niet vlot en kost veel energie, het herkennen en vormen van woorden en letters blijft moeite kosten. Vaak blijven ze lang spellend lezen, tergend langzaam, letter voor letter. Hierna gaan ze vaak over op radend lezen, ze gokken woorden binnen de context, dat levert veel fouten op. Doordat het lezen niet leuk is, lezen ze minder en krijgen ze minder oefening.

Het is bewezen dat zitten-blijven geen effect heeft op de leesproblemen. Verplicht lezen als huiswerk draagt ook niet mee aan het leesplezier; probeer verplicht thuis lezen zoveel mogelijk te beperken!

Zet ze met lezen niet bij elkaar!

Het zelfvertrouwen en zelfbeeld van zwakke lezers wordt door deze faalervaringen erg aangetast. Het is geen goed idee alle zwakke lezers bij elkaar te zetten in één groepje. Hierdoor voelen zij zich het groepje “losers.”  Buiten dat biedt je ze geen stimulerende leeromgeving; het is niet motiverend om naar het gehakkel van de ander te luisteren. Gemengde groepen werken beter, goed voorbeeld doet vaak goed volgen. Natuurlijk is het van belang tijdens de instructie vooral deze kinderen aan te moedigen en veel positieve feedback te geven.

Tips:

  • Zorg dat het alfabet goed visueel is opgeslagen (één van de onderdelen de methode Ik leer Anders).
  • Leer hele woordbeelden aan.
  • Lege woorden visueel opslaan.
  • Geef ze boeken die ze leuk vinden en interessant vinden. Moeilijker is vaak makkelijker, hou niet aan het leesniveau vast. Langere woorden zijn makkelijker te herkennen!
  • Veel kinderen houden van de Donald Duck of andere stripboeken, stimuleer dit; lezen is lezen!
  • Veel beelddenkers houden van het kijken en lezen in een ouderwetse encyclopedie.
  • Bij laten wijzen met leeslineaal of leespijl.
  • Zet het boek eens rechtop in een kookboekstandaard, vaak helpt dat!
  • Sommige mensen hebben last van de witte achtergrondkleur, leg er eens een transparant gekleurd vel overheen!

 

 

Spellend lezen

Deel 3 van 7 in de serie Leren lezen

800px-LetterkaartjesSommige lezers hebben moeite grip te krijgen op het de structuur van het woord. De woorden worden niet als geheel gezien maar als een reeks klanken. De spellende lezer leest langzaam maar nauwkeurig, letter voor letter, woord voor woord.  De lezer leest dus /b/ /oo/ /m/ in plaats van /boom/. Hierbij leest hij in zichzelf of zachtjes voor zich uit. Bij het hardop lezen is het hoorbaar dat er niet vloeiend gelezen wordt.

Op zichzelf is met deze vorm van lezen niet iets mis. In de beginfase van het leren lezen leren heel veel kinderen voornamelijk spellend.  In de tweede helft van groep 3 gaan kinderen steeds meer woorden direct herkennen. Als ze een woord niet herkennen spellen ze het meestal in stilte. De toehoorder merkt daar niet zoveel van, behalve dat het kind even na moet denken.

Na ongeveer acht maanden leesonderwijs zou het spellend lezen vanzelf over moeten gaan in vloeiend lezen. Sommige lezers blijven jarenlang hangen in het spellend lezen. Ze spellen minstens een derde van de woorden, uit gewoonte of uit angst om fouten te maken. Uiteindelijk kunnen ze dit zo snel dat je het niet meer zo goed kan zien. Als je goed kijkt naar de ogen van het kind zul je merken dat het niet vooruit kijkt in de zin. Bij niet-spellend lezen zijn de ogen steeds enkele woorden verder dan het gelezen woord; nu zijn ze precies bij het woord dat gelezen wordt.

Het is belangrijk dat deze groep lezers extra begeleiding krijgt. Deze vorm van lezen vraagt veel inspanning en begrijpend lezen is op deze manier bijna onmogelijk. Misschien dat ze de basisschool er nog mee doorkomen maar op de middelbare school is er een grote kans dat ze vastlopen.

Woorden visueel opslaan

Visueel ingestelde kinderen en beelddenkers zijn niet ingesteld op spellend lezen. Zij leren het liefst de hele woordbeelden aan. Ze slaan de fase van het hakken en plakken dus over. Niet ieder woord hoeft apart aangeleerd te worden, woordfamilies worden vaak vanzelf geassocieerd (dit noemen ze ook wel stempelen).

Meer tips:

  • Laat ze de letters voelen, maak letters van schuurpapier
  • Maak alle letters van klei, zo worden ze tastbaar
  • Schrijf de letters op de rug van het kind
  • Schrijf de letters in het zand en spreek ze uit
  • Verf de letters met vingerverf en spreek ze uit
  • Stempel de letters en spreek ze uit
  • Doe spelletjes met de letters

 

Studietips voor beelddenkers

25tipsHoe haal je zo goed mogelijke cijfers met een maximum aan vrije tijd? Door je huiswerk op een zo effectief mogelijke manier te maken! Onderstaande tips helpen je hierbij! Reacties en aanvullende tips zijn welkom! 

Studietips:

[posts-by-tag tags=”studietips-praktijk” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Planning:

[posts-by-tag tags=”studietips-planning” number=”99″ excerpt=”true” thumbnail=”true” excerpt_filter=”false” order=”asc”]

Van te voren:

[posts-by-tag tags=”studietips-voorbereiding” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Leeromgeving:

[posts-by-tag tags=”studietips-leeromgeving” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

 

De beslisser

Deel 4 van 5 in de serie De leerstijlen van Kolb

beslisserDe beslisser durft besluiten te nemen. Hij koppelt graag de theorie aan de praktijk.

Als het gaat om een probleem op te lossen waar één juiste oplossing voor gezocht moet worden, ben je bij de beslisser aan het goede adres. Hij gebruikt hierbij graag technologische begrippen, modellen en theorieën.

De beslisser is praktisch ingesteld. Hij werkt graag volgens een plan zodat hij stap voor stap tot het juiste resultaat kan komen. In de planfase van een project weegt hij zorgvuldig voors en tegens tegen elkaar af. Hij gaat doelgericht en planmatig te werk en zet ideeën om in daden.

De beslisser leert van praktijkvoorbeelden. Hij leert optimaal als hij onder begeleiding van een expert kan oefenen. De expert kan hem de technieken tonen en staven met duidelijke praktische voorbeelden

De beslisser doet het goed in conventionele intelligentietesten. Hij houdt zich liever bezig met technische problemen en dingen dan met mensen en weet zijn emoties goed in toom te houden.

Waar wordt een beslisser blij van?

  • deskundige docenten (moeten het zelf ook kunnen)
  • duidelijke rode draad in de stof
  • praktijkvoorbeelden
  • demonstraties
  • gelegenheid om zelf praktische conclusies te trekken;
  • praktijkgerichte leerstof – relatie tussen theorie en praktijk
  • zelfstandigheid: technieken en aanwijzingen om het zelf te doen
  • gelegenheid te experimenteren met zelf bedacht oplossingen
  • gelegenheid zelfstandig praktische conclusies te trekken

Sociaal:

  • is meer gericht op dingen dan mensen

Hulp geven bij:

  • leer hem dat wat hij nu leert later van pas komt.
  • het juiste probleem oplossen

 

De denker

Deel 5 van 5 in de serie De leerstijlen van Kolb

denkerDe denker houdt van logica en redeneren. Hij is goed in analyseren en stelt graag onderzoekende vragen. De denker zoekt naar een logische samenhang tussen zaken. Hij werkt systematisch en nauwkeurig en is goed in het maken van gedetailleerde plannen en schema’s, Hij onderzoekt graag de achtergronden voor hij conclusies trekt.

Logica, nauwkeurigheid en denken in heldere, abstracte begrippen staan voorop. Theoretische modellen worden vertaald naar de werkelijkheid. Het is belangrijker dat de ideeën logisch zijn dan praktisch uitvoerbaar. Niet alle ideeën van een denker zijn even bruikbaar.

Een denker kan niet goed tegen wanorde, hij leert het beste in gestructureerde situaties, Hij leert het liefst uit boeken.Hij zal niet snel om hulp vragen.

Waar wordt een denker blij van?

  • orde en rust in de klas en in de studeerkamer
  • duidelijke doelen en helder programma
  • goed gestructureerde leermiddelen.
  • uitdaging: Complexe vraagstukken
  • gelegenheid om vragen te stellen
  • zelfstandig leerstof doornemen
  • vertel ze waarom ze iets leren
  • zelfstandigheid: Bemoei je niet teveel met een denker
  • geef ze tijd het hoe, wat en waarom te ontdekken

Sociaal:

  • liever geen groepswerk

Hulp nodig bij:

  • het praktisch toepassen van kennis
  • samenwerking

De dromer

Deel 3 van 5 in de serie De leerstijlen van Kolb

dromerDe dromer heeft een grote verbeeldingskracht en fantasie. Concrete situaties kan de dromer vanuit verschillende invalshoeken bekijken. Hij kan snel verbanden leggen. Dromers zijn meestal creatieve mensen die ruimte nodig hebben voor het creëren van ideeën.

De dromer kijkt hoe anderen een probleem aanpakken en denkt eerst na voordat hij iets doet.Hij denkt na over situaties en probeert zich in te leven. Hierdoor ziet hij vaak meerdere (goede) oplossingen, maar twijfelt over een beslissing. Daardoor neemt hij beslissingen soms traag. Een dromer heeft daarom tijd en ruimte nodig om goed te kunnen leren.

Dromers vernieuwers, ze zien veeloplossingen, ook in de conceptfase van een project.

De dromer wordt blij van:

  • visuele presentatie van de leerstof
  • leerstof uitleggen met voorbeelden
  • geen limiet of tijdsduur opleggen; dan blokkeren ze
  • aanmoediging; zo leren ze beter en liever
  • werk volgens een plan
  • laat ze zich veilig voelen
  • confrontatie met verschillende visies
  • ruimte om ervaringen en gevoelens te uiten
  • tijd om de ervaringen te verwerken
  • geef ze uitdaging, ze hebben een veelzijdige belangstelling
  • geef ze de tijd/kans (achteraf) na te denken over acties

Sociaal:

  • geef ze tijd de overige groepleden te leren kennen
  • geef ze kans gedachten uit te wisselen met de groep

Geef hulp bij:

  • het nemen van besluiten

De doener

Deel 2 van 5 in de serie De leerstijlen van Kolb

doenerDe kracht van de doener ligt in het doen. Hij wil aanpakken; is overal voor in en houdt van nieuwe dingen uitproberen. De doener wordt graag in het diepe gegooid, hij is doelgericht en leert door praktisch bezig zijn en actief experimenteren. Hij is impulsief en gaat snel over tot actie. Hij durft risico’s te nemen en is er goed in nieuwe zaken op gang te brengen.

Hij is graag betrokken bij het hele proces. Hij vindt het soms moeilijk om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden dus hij werkt graag volgens een goede planning, Hij vertaalt graag de strategie in een doel omdat hij tastbare resultaten wil bereiken,

Een doener kan goed met mensen omgaan. Hij doet het goed in nieuwe situaties en een nieuwe omgeving met de daar aanwezige specifieke en concrete situaties. Hij vertrouwt op anderen voor kennis en informatie, die vindt hij belangrijker dan zijn eigen analytische capaciteiten. Een doener werkt graag samen maar kan wel ongeduldig als iets niet gaat zoals verwacht. Soms kan hij drammerig overkomen in zijn dadendrang.

De doener wordt blij van:

  • groepswerk, taakjes en projecten.
  • tijd en ruimte om dingen uit te proberen
  • uitdagingen en nieuwe situaties
  • directe ervaring door dingen te doen
  • problemen om op te lossen
  • afwisseling verschillende werkvormen
  • vrijheid m snel te reageren

Sociaal:

  • humor, plezier en ontspanning op de leerplek
  • veel samenwerken:
  • contact met anderen

Heeft hulp nodig bij:

  • voorbereidingen treffen
  • hoofd- en bijzaken onderscheiden.
  • terugkoppeling op eigen acties

De leerstijlen van Kolb

Deel 1 van 5 in de serie De leerstijlen van Kolb

Leerstijlen Van KolbEen leerstijl is de manier waarop iemand leert. Iedereen pakt een leertaak op zijn eigen manier aan. De een begint met denken, de ander met doen.

Een leerstijl is de manier waarop iemand gewend is de leertaak aan te pakken.

Vergelijk het met de gebruiksaanwijzing van een nieuw apparaat. De een eerst de gebruiksaanwijzing van begin tot eind door. De ander leest alleen het begin. Weer een ander haalt de tekst  niet eens uit de verpakking. Hij gaat aan de slag en ziet wel waar het schip strandt. Uiteindelijk zal het ze allemaal best lukken om het apparaat aan de praat te krijgen. Zo is het ook met leren; iedereen heeft zijn eigen leerstijl.

De Amerikaanse psycholoog Kolb heeft onderzoek gedaan naar leerstijlen. Hij kwam uiteindelijk uit op vier verschillende leerstijlen die corresponderen met vier leerfasen:

[posts-by-tag tags=”leerstijl-kolb” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Voorbeeld

Stel: je koopt een nieuw merk mobiel dat je nog niet kent; je leert hem te bedienen door:

  • ervaren: uitproberen hoe en of het werkt, allerlei knoppen indrukken
  • observeren: kijken wat er gebeurt
  • denken: is dit wat ik wil of moet ik het anders aanpakken
  • doen: de telefoon kunnen bedienen

Meestal worden de leerfasen in deze volgorde doorlopen.Gaat het anders, of wordt er een fase versneld, dan daalt het leerrendement. Dat is te begrijpen: ervaring wint aan waarde als je erover nadenkt, inzichten worden pas echt bruikbaar als je ze uitprobeert en toetst.

Iedereen heeft een eigen unieke leerstijl, vaak een combinatie van  leerstijlen. Als je alle vier de leerstijlen beheerst, ben je een all-rounder. Tegenwoordig, o.a. door de opkomst van het Nieuwe Leren, wordt het ontwikkelen van alle vier de leerstijlen aangemoedigd.

Op school

Gelukkig krijgen leerlingen steeds vaker les in de stijl die bij hen past. Toch is school vooral gericht op de denker, de nadruk ligt op het leren hoe dingen samenhangen en hoe je ze in een theoretisch kader kunt zien. Aan de andere leerstijlen: experimenteren en ervaren wordt meestal minder aandacht besteed.

Als je jarenlang volgens één bepaalde leerstijl moet leren kan je eigen leerstijl veranderen. Daarom hebben veel leerkrachten en afgestudeerde mensen  een overdenkende en theoretiserende leerstijl.

Iedere leerling heeft zijn eigen leerstijl of combinatie van leerstijlen. Iedere leerstijl heeft zijn eigen bijzondere kenmerken.

Hoe maak je aantekeningen

aantekeningenAantekeningen maken is moeilijker dan het lijkt. Je moet kijken, luisteren, begrijpen en dan ook nog kort op kunnen schrijven. Meestal gaat het nog snel ook! Voor beelddenkers een hele opgave!

Tijdens een les wordt veel verteld; ook dingen die niet in je boek staan maar die je wel moet weten. Met een beetje geluk schrijft de leerkracht ook dingen op het bord maar dat gebeurt niet altijd.

Vraag van tevoren of je aantekeningen moet maken als dat niet duidelijk is. Als je het niet kan bijhouden kun je dit gerust zeggen tegen de leerkracht.

Werk zo min mogelijk op losse blaadjes, grote kans dat je die kwijtraakt!

Hoe maak je het best aantekeningen?

  • Gebruik een schrift per vak en geen losse blaadjes!
  • Schrift vergeten? Plak of niet dje aantekeningen later in het schrift.
  • Ziek geweest? Vraag een medeleerling om een kopie van de aantekeningen
  • Kopietjes die uitgedeeld zijn in de klas, plak of niet je ook in je schrift.
  • Gebruik maar één kant van elk blad
  • Laat ruimte over voor latere opmerkingen en aanvullingen (je mist weleens wat)
  • Begin iedere les op een nieuwe bladzijde
  • Werk netjes zodat je het nog kan lezen
  • Wacht niet tot je het begrijpt, begin meteen
  • Schrijf terwijl je luistert
  • Zorg dat je aantekeningen kloppen en volledig zijn

Tips voor de inhoud:

  • Gebruik geen volzinnen
  • Laat overbodige woorden weg
  • Gebruik symbolen: bijv.een pijl om een verband aan te geven of een dubbele punt als een definitie begint.
  • Zorg dat je vaste afkortingen gebruikt
  • Onderstreep belangrijke woorden
  • Maak waar nodig rijtjes.
  • Laat na elk onderwerp een regel leeg

Definities leren

broeikasteffectSommige termen zijn moeilijk te begrijpen, laat staan dat je ze kan onthouden. Bij een vak als aardrijkskunde krijg je deze termen als definities te leren. Hoe leer je deze definities eigenlijk het beste?

Neem het woord ‘broeikaseffect’.

Wat je moet weten van de term?

  • Moet je de precieze definitie kennen?
  • Moet je globaal weten wat het is?
  • Moet je de term in een groter verband kunnen plaatsen?

Zoek de definitie op

  • Zoek eerst de definitie op. Van broeikaseffect is dit:
    Dit is het opwarmen van de aarde doordat een
    koolzuurgaslaag om de aarde als een soort broeikas gaat werken.
  • Probeer het in je eigen woorden te vertalen.
  • Wat weet je er al van?
  • Maak een woordweb of mindmap

Gebruik je zintuigen:

  • Zie je het voor je?
  • Zoek eventueel een filmpje op internet
  • Maak er een tekeningetje van
  • Hoe zou het ruiken?
  • Hoe zou het voelen?
  • Hoe zou het smaken?
  • Wat voel je bij het begrip?

Controleer of je de term nu begrijpt.

  • Weet je het letterlijk?
  • Weet je het globaal?
  • Kun je het in een groter verband toepassen?

Maak een woordweb of woordspin

woordwebEen woordweb is hetzelfde als een woorspin of begrippennet. Het geeft een beknopte visuele voorstelling van de structuur van de tekst. Het is iets eenvoudiger dan een mindmap.

Bij het maken van een woordweb of mindmap gebruik je meer zintuigen. Dit zorgt ervoor dat je de leerstof beter en langer onthoudt!

In een woordweb worden de belangrijkste elementen uit de leerstof schematisch en overzichtelijk in beeld gebracht.De sleutelwoorden worden met elkaar verbonden door pijlen en waar toepasselijk worden gegevens in reeksen neergezet.

Een tekst in een woordweb omzetten

1. Lees de titel

Een goede titel zegt veel over een tekst. In een korte zin wordt de hele tekst samengevat.

  • Wat weet ik al van dit onderwerp?
  • Waarover zou de tekst gaan?

2. Lees de kopjes

Lees de kopjes boven de paragrafen. Dit zijn ook weer korte samenvattingen.

  • Wat weet ik al van dit kopje?
  • Waarover zou de paragraaf gaan?

3. Bekijk de plaatjes en grafieken

De afbeeldingen helpen een beeld te vormen van de tekst.

  • Welke informatie geven de plaatjes en grafieken?
  • Waarom zou de schrijver ze hebben opgenomen?

4. Let op opvallende tekst

Kijk of er woorden anders zijn gedrukt, bijvoorbeeld vet , cursief onderstreept of in HOOFDLETTERS.

  • Waarom zou de schrijver die woorden willen laten opvallen?

5. Maak nu een een woordweb

Begin met in het midden de titel te noteren.Kijk nu welke steekwoorden, gevoelens en beelden bij je naar boven, Schakel ook de zintuigen in. Kortom, wat weet je al van dit onderwerp?

In het kort: wie – wat – hoe- waar – wanneer – beeld – geluid – gevoel – geur

Zet in je woordweb bijvoorbeeld:

  • Wie zij erbij betrokken?
  • Wat is er aan de hand?
  • Hoe komt dat?
  • Waar gebeurt het?
  • Wanneer is het gebeurd?
  • Zien: wat voor beeld heb je ervan?
  • Horen: wat zou er te horen zijn?
  • Voelen: wat voel je erbij?
  • Ruiken: hoe zou het ruiken?

begrippennet

Leer meer met Drillster

drillstercurveDrillster is een gratis programma waar je je leerstof mee kan oefenen op de PC of laptop, op je mobiele telefoon en op een  tablet gebruiken (inclusief iPhone en iPad apps).

Het werkt met een speciaal programma dat kijkt wat je wanneer moet weten en geeft dan iedere dag meer vragen. Tegelijkertijd wordt de al aangeboden stof herhaald.

Drillster onthoudt wat je al weet, wat je goed en fout hebt beantwoord en wanneer je voor het laast hebt geoefend.

Dit bepaalt hoe vaak en hoe veel je de stof aangeboden krijgt. Je leert méér leren in minder tijd en het geleerde wordt langer onthouden wordt.

Klik hieronder om te zien hoe Drillster werkt. Voor het middelbaar onderwijs zijn er al heel veel drills beschikbaar, lijsten uit WRTS kunnen ook ingevoerd worden.

Als je je toets terugkrijgt

Deel 6 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

Teacher-Correcting-Piece-Paper-1114726Docenten zijn vaak lang bezig toetsen en huiswerk te corrigeren. Veel leerlingen kijken niet naar wat ze fout hebben gedaan. Ze accepteren het cijfer en gaan verder. Zwakke leerlingen halen hun schouders op en denken “Ik ben hier gewoon slecht in”.

Kans op een hoger cijfer!

Als je je toets terugkrijgt is het belangrijk dat je hem goed nakijkt. Zelfs als je een redelijk cijfer hebt gehaald kun je hier je voordeel doen. Het gebeurt regelmatig dat je ontdekt dat de docent vergeten is punten toe te kennen of dat de punten niet goed zijn opgeteld. Altijd de moeite waard om goed naar te kijken!

Vergelijk jouw punten en antwoorden met die van een klasgenoot met een goed cijfer. Als jij hetzelfde hebt geantwoord en horen de punten gelijk te zijn.

Niet tevreden met je cijfer?

Als je niet tevreden bent met je cijfer, vraag dan aan de docent of je een inhaaltoets mag maken of dat er een andere manier is om extra punten te verdienen.

Als je je best hebt gedaan en je was goed voorbereid dan is het belangrijk om niet teleurgesteld te zijn in jezelf. Kijk eerst naar de rest van de klas; hoe hebben zij het gemaakt? Misschien was het gewoon een moeilijke toets.

Als jij een van de weinigen bent met een slecht cijfer is het belangrijk dat je kijkt waar dit aan ligt. Wees daar eerlijk in.

  • Had je echt goed geleerd?
  • Had je gewoon een slechte dag?
  • Heb je op de goede manier geleerd?
  • Snap je iets niet uit de toets?
  • Had je een black-out?

Leer van gemaakte toetsen!

Grijp een minder cijfer aan om ervan te leren. Bekijk achteraf de toets met de vragen erbij. Bekijk waar de fouten en valkuilen zitten. In het volgende deel van deze serie staat een handige manier.

Bewaar de toets!

Bewaar de toets om het later nog eens na te kunnen kijken.

Ook voor studenten

Ook als je al studeert is het mogelijk je tentamen in te zien. Soms is het zelfs toegestaan een kopie te maken van de vragen en/of je eigen antwoorden (soms zelfs voor studenten die het tentamen niet gevolgd hebben)!

Hoe maak je een openboek toets?

Deel 5 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

BookTabsOpenboek toetsen zijn toetsen waarbij je je boeken mag gebruiken. Vaak worden in deze toetsen moeilijke vragen gesteld. Je zal veel moeten zoeken in  het materiaal wat je mee mag brengen.

Het allerbelangrijkste is dat je je spullen moet organiseren! Het kost wat tijd maar de informatie is
dan beter en sneller te vinden. Meer kans op een beter cijfer.


Wat kan je doen ter voorbereiding?

  • Lees de stof waar de toets om gaat van te voren. Weet waar je alles kan
    vinden. Kijk naar titels en subtitels. Zorg dat de structuur van de stof
    in je hoofd zit.
  • Markeer alle belangrijke termen, gebruik post-its en post-it tabs.
  • Gebruik post-it tabs als tabbladen zodat je het boek makkelijk op de juiste plaats openslaat.
  • Gebruik post-it blaadjes op alle belangrijke plaatsen met een beschrijving er op wat er staat.
  • Markeer de belangrijke passages in de teksten die je nodig hebt zodat ze opvallen
  • Maak een register waarin staat waar je het belangrijkste onderwerpen kan vinden.

   Als je aantekeningen mag meenemen:

  • Schrijf belangrijke aantekeningen, formules en concepten op die je in de klas hebt gehad.
  • Leg je aantekeningen op volgorde
  • Doe ze netjes in een map
  • Maak je eigen samenvatting
  • Maak een register
  • Maak een mindmap van de stof

Tijdens de toets:

  • Werk netjes en houdt het materiaal op orde.
  • Laat losse dingen op volgorde liggen en verspreid ze niet over je tafel.
  • Evalueer iedere vraag. Bedenk het antwoord moet bestaan uit feiten of uit jouw interpretatie van de feiten.
    Feiten vragen zijn bijvoorbeeld: “Noem 5 redenen…”
    en “Welke gebeurtenissen leidden tot…” Deze vragen nemen minder tijd in dan de interpretatie vragen.
  • Beantwoord de vragen in je eigen woorden..

Hoe maak je een toets met open vragen?

Deel 3 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

testsEen toets met open vragen is vaak lastig voor een beelddenkers in verband met woordvindingsproblemen. Kladpapier kan uitkomst bieden Moeilijke termen of formules kan je hier aan het begin van de toets alvast opschrijven.

Haal even diep adem voor de toets wordt uitgedeeld. Kijk de toets eerst globaal door.

Vorm je een beeld van de toets

  • Hoeveel vragen zijn er?
  • Zijn er verschillende onderdelen?
  • Check ook de achterkant van het toetsblad!
  • Is er een puntensysteem waarbij sommige vragen een hogere waarde hebben?
  • Kijk globaal alle vragen door

Maak een inschatting van de tijd

Een gevaar is dat je teveel tijd besteed aan een of twee moeilijke vragen en daardoor in tijdnood komt. Een oplossing is als je de gewenste eindtijd naast de vraag zet.

  • Kijk hoeveel tijd je hebt voor de vragen
  • Schrijf eventueel een eindtijd naast de vraag
  • Hou tijd over voor de eindcontrole

Bepaal je volgorde

Als er een puntensysteem is dan is het verstandig met de vragen te  beginnen die het meeste opleveren.

Anders kun je de vragen het beste in de goede volgorde maken. Van de ene naar de andere vraag hoppen kost vaak kostbare tijd omdat je de overgeslagen vragen later weer moet opzoeken en nalezen. Met het risico dat je ze later vergeet.

Wat doe je per vraag?

  • Onderstreep of omcirkel de sleutelwoorden en wat je moet doen
  • Schrijf eerst op een kladblaadje de kernwoorden op die je in je antwoord wilt gebruiken
  • Schrijf je antwoord op
  • Laat na je antwoord altijd een paar regels open voor als je er nog wat bij wilt zetten
  • Weet je het echt niet? Vul dan het beste antwoord in dat in je opkomt en zet er een vraagteken voor. Dan staat er in ieder geval een antwoord en kun je eventueel later nog verbeteren.

Wat kan je meer punten opleveren?

Probeer zo netjes mogelijk te werken. Schrijf leesbaar en ga niet krassen. Als de docent ziet dat je je best hebt gedaan en het er netjes uitziet zijn ze geneigd meer punten te geven!

Weet je het antwoord niet helemaal, maar weet je wel wat zinnigs te melden over de vraag? Vul het toch in! Vaak krijg je er punten voor! Zorg wel dat het ermee te maken heeft, ga geen onzin opschrijven om ruimte op te vullen.

Als de vraag niet duidelijk is kun je ter plekke om uitleg vragen. Als dat niet mogelijk is, schrijf dan bij je antwoord dat je de vraag niet begrijpt maar dat je ervan uit bent gegaan dat het zus en zo bedoeld werd. Hierdoor ziet de docent de gedachtengang achter je antwoord en zal hij eerder geneigd zijn punten te geven.

Eindcontrole

Het is belangrijk dat je voor het inleveren je toets nog goed nakijkt. Zijn alle antwoorden leesbaar? Kloppen de antwoorden? Controleer ook op spelfouten, vergissingen en overgeslagen vragen.

Eventueel kan je nog aanvullingen maken in de ruimtes die je opengelaten hebt.

Hoe maak je een meerkeuzetoets?

Deel 4 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

multiplechoiceMeerkeuzetoetsen worden ook wel multiple-choice toetsen genoemd. Veel mensen vinden meerkeuzevragen lastig. De antwoorden lijken soms erg op elkaar, of het goede antwoord lijkt er niet bij te staan.

Het grote voordeel bij meerkeuzetoetsen is dat je kan gokken met een kans van 1 op 4 dat je het goed hebt! Bij slim kiezen ligt die kans nog hoger! Dus:

Blijf kalm!

Je hoeft niet alles goed te hebben. Als je een aantal vragen moet gokken is dat geen ramp. Het gaat er niet om dat je alle vragen goed hebt, het gaat erom dat je er genoeg goed hebt!

Zoek niet teveel achter de vragen. Meestal zijn ze niet erg diepzinnig bedoeld.

Vorm je een beeld van de toets!

Neem de toets eerst globaal door. Lees eerst alleen de vragen en dek de antwoorden af.

 Werk volgens het rondesysteem

  1. Eerste ronde: alleen de makkelijke vragen. Zet een – voor de vragen die nog je niet invult.
  2. Tweede ronde: de moeilijkere vragen. Maak van het – een + als je ze hebt ingevuld. Sla de vragen die je echt niet weet nog over.
  3. Derde ronde: de allermoeilijkste vragen invullen.

Lees de vraag en de antwoorden

  • Lees de vraag zorgvuldig door en omcirkel of onderstreep de sleutelwoorden. Uit onderzoek blijkt dat mensen die dit doen meer beter scoren!
  • Formuleer in gedachten jouw antwoord voor je naar de antwoorden kijkt.
  • Lees ieder antwoord voor je een keus maakt, zo haal je de valkuilen eruit!

Ontrafel de vraag

De vraag heeft meestal vier antwoorden.

  • Eén van de vier is duidelijk fout, zet hier een f voor.
  • De tweede blijkt met enig nadenken fout te zijn, zet hier ook een f voor.
  • Er blijven 2 alternatieven over.  Vergelijk de sleutelwoorden van de vraag met die van de twee alternatieven. Lees goed en volg je intuïtie.
  • Kies het best passende antwoord, zelfs al vind je dat geen enkel antwoord echt klopt. Het hoeft niet perfect te zijn. Soms zijn de andere antwoorden klinkklare onzin en soms zijn ze alleen maar minder juist.

Blijf bij je eerste gevoel

Meestal klopt je eerste ingeving omdat je het antwoord herkent. Verander je antwoord alleen:

  • als het een extreem wilde gok was
  • als je nieuwe inzichten hebt gekregen
  • als je de vraag verkeerd hebt gelezen
  • als je een fout hebt gemaakt in een exacte vraag (wiskunde of logica)

Slim gokken:

  • Elimineer eerst de foute antwoorden
  • Een antwoord is meestal fout als er woorden instaan als “altijd”, “nooit” of “geen enkel”.
  • Het langste of ingewikkeldste antwoord is vaak het juiste, de toetsenmaker moet zorgen dat het antwoord juist is, wat leidt tot lange zinnen.
  • Liggen de mogelijke antwoorden op een rekenvraag ver uit elkaar, kies dan voor de middelste.
  • Liggen twee antwoorden op een rekenvraag dicht bij elkaar, kies er daar dan één van.
  • Lijken twee sterk antwoorden elkaar maar verschillen ze op een duidelijk detail: kies één van die twee.
  • Zijn twee antwoorden tegengesteld aan elkaar, dan is de juiste waarschijnlijk één van de twee.
  • Lijken twee antwoorden hetzelfde, kies dan geen van beide.
  • Te doorzichtig is ook niet goed: wantrouw te gemakkelijke antwoorden.

Alle bovenstaande antwoorden zijn goed/fout

Begin eerst met de drie andere antwoorden. Als er een antwoord staat waarvan je zeker weet dat het of goed of fout is zet je er een g of een f voor. Dat geeft overzicht. Weet je het niet zeker maar vermoed je dat het goed of fout is zet je er een g? of een f? neer.

Je kunt dan afwegen of het vierde antwoord zou kunnen kloppen.

In het kort:

  1. Werk volgens het rondesysteem
  2. Het perfecte antwoord bestaat vaak niet. zoek het best passende antwoord.
  3. Twijfels?
    Als je goed bent voorbereid is de eerste indruk meestal de beste. Verbeter alleen op grond van een nieuw inzicht

Hoe maak je een toets?

Deel 2 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

testingToetsen zijn een grote uitdaging voor beelddenkers. Het lukt ze vaak niet de vragen te doorgronden.

Multiple choice is nog erger; ieder antwoord maakt beelden los en in ieder antwoord schuilt wel iets waars…

Er wordt vaak ondergemiddeld gescored op de CITO-toetsen. De methode-toetsen gaan vaak iets beter.

Bij toetsen moet je kennis overdragen. Het is voor een beelddenker niet makkelijk om zijn kennis over te brengen op een taaldenker. De vragen bij een toets kunnen open zijn, of multiple choice. Beide systemen hebben voor- en nadelen.

Maak het niet te moeilijk…

Denk vooral niet te ver door. Toetsen zijn positief bedoeld; ze vragen naar wat je weet en niet naar wat je begrijpt! Probeer rustig te blijven, geloof in jezelf en laat je niet gek maken!

Voor de toets

  • Zorg dat je goed geslapen hebt voor de toets: uitgeslapen presteer je beter.
  • Zorg dat je je goed voorbereid hebt
  • Zorg dat je alles bij je hebt
  • Ga van tevoren naar het toilet.
  • Probeer er vijf minuten van te voren te zijn.
  • Zorg ervoor dat je ontspannen en positief bent.
  • Eet goed voor de toets (geen snoep; suiker vertraagt je hersenen)
  • Water drinken bevordert de werking van je hersens!

Zorg dat je de goede spullen bij je hebt!

Kijk van te voren na wat je nodig hebt voor de toets. Doe deze spullen de avond van te voren al in je tas! Zeker niet vergeten:

  • twee pennen die lekker schrijven (een is reserve)
  • een potlood en gum
  • een horloge of iets anders waarop je de tijd kan zien
  • voor wiskunde: rekenmachine en geodriehoek
  • kladpapier: Je kan het gebruiken om je gedachten te ordenen en  je geheugen op te frissen. Je kan ook aan het begin van de toets de moeilijke termen en formules opschrijven om ze veilig te stellen.

Hou de tijd in de gaten

Schat in hoeveel tijd je hebt voor ieder onderdeel. Het is fijn als je 10 minuten voor de eindtijd klaar bent zodat je de test nog kan nakijken op fouten gemiste antwoorden.

Vorm je een beeld van de toets

Als de toetsen worden uitgedeeld kijk je hem eerst globaal door. Op die manier krijg je een beeld van de toets en waar de makkelijke en moeilijke onderdelen zitten.

Neem tussendoor korte pauzes

Sluit je ogen en neem haal diep adem. Dit maakt je hoofd even leeg en geeft je nieuwe energie. Dertig seconden bijtanken kan veel opleveren!

Blackout?

Weet je tijdens het maken van een toets het antwoord  ineens niet meer? Blijf rustig! Sla de vraag gewoon even over en bekijk eerst de andere vragen.

Waarschijnlijk weet je de antwoorden op de andere vragen wel. Het kan ook gebeuren dat je ineens helemaal niets meer weet. Dat heet een blackout. Vaak duurt dit maar heel even.

Het helpt als je terugdenkt aan de situatie hoe je zat te leren. Waar zat je? hoe rook het? Heb je wat gegeten? Heb je een mindmap of samenvatting gemaakt? Als dat de stof niet naar boven haalt dan kun je ook even wat anders gaat doen (bijv. even naar het toilet) voordat je weer verder gaat met de toets.

Voorbereiding op een toets

Deel 1 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

test.pngOp sommige scholen wordt het toets genoemd, op andere scholen repetitie of proefwerk. Kleinere stukken stof worden overhoord met een SO, een schriftelijke overhoring.

Je wilt natuurlijk een zo goed mogelijk cijfer waar je zo weinig mogelijk voor hoeft te doen!

Hoe bereid je je voor op een toets?

Als je een toets hebt opgekregen kijk je eerst goed naar wat je moet weten.

  • Welke stof moet je precies kennen?
  • Wat moet je ermee kunnen doen?
  • Moet je verbanden kunnen leggen?
  • Wat vindt deze leraar belangrijk?
  • Worden er meerkeuze- of open vragen gesteld?

Het is het handigst als je de toets in stukken leert omdat je het anders niet redt. Voordeel is dat je het dan ook sneller leert en beter onthoudt! Maak daar een planning voor. Kijk naar hoeveel tijd je hebt en hoeveel stof het is. Probeer de stof in minimaal 3 stukken te hakken. Schrijf in je agenda welk stuk je wanneer wilt kennen. Hou je daar ook aan!

Controleer jezelf; vraag eventueel hulp

Maak een proeftoets! Van een toets maken met de antwoorden erbij leer je het meest!  Overhoor jezelf of laat je overhoren.

Schrijf op wat je echt moeilijk vindt. Vraag eventueel uitleg aan je ouders of de docent

Intrinsieke en extrinsieke motivatie

Deel 2 van 5 in de serie Motivatie

motivatie-coveyIntrinsieke motivatie

Sommige kinderen kunnen urenlang bouwen met Lego zonder dat ze afgeleid worden. Iets doen wat je leuk vindt kost niet veel energie. Je kan het lang volhouden en leert automatisch. Intrinsieke motivatie komt van binnenuit; dit kan ontstaat vanuit:

  • leergierigheid en interesse
  • autonomie: zelf mogen beslissen of je het doet
  • competentie: voelen dat je het aan kan
  • het belang van de opdracht zien
  • omdat het leuk is
  • de beste willen zijn

Extrinsieke motivatiemotivatie

Er zijn ook minder leuke dingen die moeten gebeuren. Opruimen bijvoorbeeld, of huiswerk maken. Het kind vindt het niet leuk, heeft er geen zin in en loopt er vooral niet warm voor. Geen enkele aanleiding aan de taak te beginnen. Extrensieke motivatie komt van buitenaf, ze leren dan

  • om een beloning te krijgen,
  • om een straf te vermijden
  • om complimentjes te krijgen

Deze motivatie kost de kinderen meer energie en vraagt veel van hun doorzettingsvermogen.

Leerlingen die intrinsiek zijn gemotiveerd zijn onthouden leerstof beter en langer. Leerlingen die extrinsiek zijn gemotiveerd, richten zich vooral op de toets en zijn de leerstof sneller vergeten.

Grote hoeveelheden leerstof

homewAls je van te voren al weet dat er een groot proefwerk of examen aankomt kun je je op een eenvoudige manier al voorbereiden.

Als je een of twee weken van te voren de hele tekst doorscant, (dus niet echt lezen maar scannen, denk aan zo’n 10 seconden per pagina) zet de structuur van de stof zich al vast in het hoofd.

Je zal het dan tijdens het leren veel makkelijker hebben.

Kijk de stof eerst door voor je gaat leren. Bekijk eerst titel en de namen van de hoofdstukken of paragrafen. Bekijk de afbeeldingen. Zoek de verbanden.

Lees dan stof goed door. Kijk of dingen bij elkaar horen en met elkaar vergeleken kunnen worden of op iets lijken wat je al weet. Kijk bij woordjes of je het woord vanuit een andere taal al kent.

Van grote lappen tekst kun je het beste een samenvatting of een mindmap maken.

Huiswerk

hwAls alles goed gaat en het kind haalt ruime voldoendes is het een bewijs dat de leerstijl werkt. Hier geldt de wet van succes: vooral niet mee bemoeien.

Als het kind niet geholpen wil worden is dat prima. Toon af en toe belangstelling, meer hoef je niet te doen.

Gaat het minder goed of geeft het kind aan geholpen te willen worden dan kan je als ouder veel voor je kind betekenen.

Allereerst is het belangrijk een goed overzicht te hebben en een planning te maken. Ook kun je je kind begeleiden tijdens en overhoren na het huiswerk.

Vergeet niet: huiswerk maken is belangrijk maar er moet ook tijd overblijven voor sport en sociale contacten. Ook gewoon niets doen is belangrijk!

Hoe kun je helpen als ouder?

Ga wekelijks met je kind om de tafel om een planning te maken. Hou het kind hier ook aan, de verleidingen van televisie en computer zijn groot.

Helpen bij het huiswerk betekent niet de taak overnemen, maar de taak begeleiden. Het kind moet zelfstandig leren nadenken. Vraag hoe je kind het gaat aanpakken en help het kind zoeken naar uitleg. Internet is natuurlijk een bron van informatie!

Geef complimenten als het goed gaat! Trakteer voor een goed cijfer! Het is motiverend als een kind beloond wordt voor het bereiken van zijn doelen en voor zijn inzet.

  • Doelen op korte termijn  zijn bijv. het halen van een planning of het hard leren voor een SO)
  • Doelen op langere termijn zijn bijv. een beter rapport,

Niet gemotiveerd?

Lanterfanten is zonde van de tijd! Het gaat er niet om hoe lang je leert maar om hoe effectief je leert. Als je drie uur aan het leren bent waarvan je anderhalf uur zit te nietsen is dat zonde van de tijd. Je kan beter doorzetten en in de anderhalf uur die overblijven iets echt leuks gaan doen!

Doet het kind (te) weinig aan het huiswerk? Vergelijk het vooral niet met andere kinderen uit het gezin of in de omgeving. Het is niet echt motiverend als je regelmatig hoort dat je broer of zus meer aan het huiswerk doet of mooiere cijfers haalt. Probeer, hoe moeilijk ook, positief te stimuleren.

Tips:

  • Maak een planning voor het huiswerk
  • Stel een vast tijdstip waarop huiswerk gemaakt wordt
  • Zorg voor een goede leeromgeving
  • Bespreek samen hoe je dingen zou kunnen oplossen
  • Geef na het huiswerk een beloning, bijvoorbeeld na een uur huiswerk maken mag je een uur op de computer

 

Goede leeromgeving

useful-Kids-Study-Room-Furniture-06Een goede leeromgeving helpt bij effectiever leren. Hiervoor heb je in ieder geval nodig:

  • een niet te warme ruimte
  • een opgeruimde tafel
  • goed licht
  • frisse lucht
  • een goede stoel

Zorg voor een opgeruimd bureau, haal dingen weg die af kunnen leiden. Het is bewezen dat je 15% meer leert aan een opgeruimd bureau!

Zorg dat computer, televisie en mobiele telefoon uitstaan. Maak vaste afspraken om storende factoren tijdens het huiswerk te weren. Vraag desnoods of je kind zijn mobieltje bij jou inlevert.

Het ene kind leert het beste boven op zijn kamer, het andere kind zit het liefste bij jou aan de keukentafel. Beide methoden hebben voor- en nadelen.

Als het kind meer in beeld is zal het wellicht beter doorwerken terwijl het op zijn kamer afgeleid wordt. Maar het kan ook juist omgekeerd werken, kijk in de praktijk wat voor jullie de beste manier is.

Muziek helpt vaak bij de concentratie van je kind. De praktijk zal uitwijzen welke muziek goed werkt.

Plan je huiswerk!

leren-lukt-nietHuiswerk maken vergt planning, concentratie en doorzettingsvermogen. Dit zijn vaak niet de meest briljante eigenschappen van de beelddenker.

Het is fijn, zo niet noodzakelijk, hier het kind in te begeleiden.

Om mee te helpen met de planning is het belangrijk dat je weet wat er speelt. Toon interesse in het huiswerk en vraag ernaar als het kind uit school komt. Vraag of er vakken zijn die moeilijk zijn, of je ergens mee kan helpen. Bijvoorbeeld wiskunde uitleggen of samen een tekst doornemen. Maak duidelijk dat je wilt helpen!

Eerst voorbereiden!

Bekijk op een vast moment, bijvoorbeeld op de vrijdagmiddag, samen de agenda van je kind. Het is van belang dat het kind op school het huiswerk goed opschrijft in de agenda. Vaak kun je dit ook nakijken op de elektronische leeromgeving van school, Magister of Elo.

Kijk wat er voor volgende week in de agenda staat. Komen er toetsen aan? Zo kun je samen praten over planning en de taken.

Zorg dat je weet wat je kind moet doen en waar hij eventueel meer tijd voor nodig heeft. Doe het op zo’n manier dat hij er ook iets van opsteekt zodat hij het over een tijdje zelf kan.

Maak een planning!

Maak dan een planning, Het is handig als er een regelmaat zit in het leren en als er een vast schema is. Houd hierbij rekening met sporten, hobby’s en vrije tijd. Plan ook meteen de controle- en overhoor-momenten zodat die er niet bij inschieten.

Laat het kind niet doorwerken tot laat in de avond en al helemaal niet tot bedtijd. Het is belangrijk om voor het slapen gaan nog even te ontspannen.

Probeer de huiswerktijd effectief in te delen. Houd bij het plannen rekening met voldoende pauzes, Na 45 minuten tot een uur leren is 15 minuten pauze redelijk. Doe in die pauze echt even wat anders! Ook in het weekend studeren kan effectief zijn.

  • Vaker kort studeren is effectiever! Twee periodes van 5 uur studeren hebben een rendement van maar 8 uur is. Het studierendement van 5 periodes van 2 uur is 12 uur!
  • Maak een (week)planning met tijdsplanning.
  • Zorg voor pauzes tijdens het huiswerk (na elke ca. 45-60 minuten een kwartier pauze)
  • Maak per vak eerst het leerwerk en direct erna het maakwerk dat erbij hoort.
  • Wissel de vakken af. Vakken die op elkaar lijken kun je beter niet vlak na elkaar doen.
  • Niet te lang hetzelfde stampwerk achter elkaar doen. Woordjes leren kan beter in 4 x 15 minuten dan 1 x een uur.

Regelmatig leren is belangrijk, alle dagen ongeveer even lang. Niet de ene dag 3 uur en de andere dag een half uurtje. Als je iets één keer leert ben je het na een paar dagen helemaal vergeten, als je het vaker leert dan onthoud je het langer.

Neem pauzes! Tijdens het leren gebruik je je leer-accu Als je moe bent, of gefrustreerd, raakt ie accu sneller leeg. Als je accu leeg is neem je geen informatie meer op, dan heeft het geen zin om door te gaan. De enige manier om de accu op te laden is door te pauzeren. Even stoppen met het huiswerk en iets anders doen.Na de pauze neem je weer veel meer stof op.

Een goed hulpmiddel bij het maken van een overzichtelijke planning is de 1blikagenda. Gebruik deze thuis en laat het kind een ‘coole’ agenda mee naar school nemen.

Overhoren en nakijken

Na het huiswerk kun je het maakwerk van je kind bekijken. Mooie kans om feedback te geven! Hou het wel zo positief mogelijk!

Daarna kun je de geleerde stof overhoren. Als het kind jou kan uitleggen hoe iets in elkaar zit weet je zeker dat hij het snapt!

Het is bewezen dat stof die overhoord is blijft langer en beter hangen. Het is ook een geweldige methode om te controleren of je kind de stof beheerst. Overhoor zoveel mogelijk. Het dwingt je kind de bestudeerde stof actief te verwoorden en zo onthoudt hij het beter.

Vreemde taal leren: www.polyglot.com

indexDeze website heeft een onmogelijke naam maar biedt je wel de mogelijkheid een polyglot te worden. (Dat is iemand die een aantal talen heel goed spreekt.)

De site biedt o.a. woordenlijsten uit het Engels, Spaans, Frans, Duits en Latijn.

De woordjes worden je aangeboden met beeld, geluid en spelletjes.

De lessen op de website bestaan uit taaloefeningen en spelletjes om het onthouden van de woordjes te vergemakkelijken.

  • Diavoorstelling met plaatjes en geluiden
  • Juiste vertaling raden
  • Spellings spel
  • Zoek de vertaling spel

De resultaten worden opgeslagen, woorden die minder goed beheerst worden die worden automatisch herhaald worden.

Het voordeel van de oefeningen is dat de woorden veel gemakkelijker onthouden worden dan bij het leren van lijstjes. Bovendien is het veel leuker!

www.internetpolyglot.com

Automatische planning voor woordjes leren!

Dwordse site www.woordenleren.nl is ontworpen voor het leren van woordjes.

De site biedt nog een handige extra: het helpt mee een planning te maken.

Je hoeft alleen maar aan te geven welke woordenlijsten je op welke dag moet hebben geleerd, en wanneer je wilt beginnen. Het houdt ook in de gaten of je de geleerde woorden nog wel kent.

Zo weet je zeker dat je echt alle woorden kent op de toets.


Overhoren is scoren!

homework-tips-3Als je iets kan uitleggen aan iemand dan ken je de stof goed!

Tijdens het overhoren ga je de  leerstof anders ordenen en benaderen.

Dat maakt dat je de leerstof beter onthoudt en dat je bij een toets de stof beter terug kan vinden.

Voor het overhoren is het verstandig het boek (zo mogelijk) een uur weg te leggen of in te nemen. Zo krijg je een beter beeld of het kind de stof op wat langere termijn ook nog kent.

Zorg voor een prettige sfeer tijens het overhoren. Help (zo mogelijk) zonder woordenstrijd. Beoordeel het kind niet maar benoem de feiten. Zeg niet: dit is onvoldoende maar: je had 4 fouten. Anders wordt het verhoren in plaats van overhoren en dreigt demotivatie.

Als het kind het niet meer weet kun je vragen stellen die hem naar het antwoord leiden. Dit is effectiever dan direct de oplossingen te geven. De vragen zetten hem aan het denken over hoe het probleem opgelost kan worden. Door de vragen leert het kind stap voor stap het probleem oplossen en te vertrouwen op zijn eigen kennis en inzicht.

Tips voor het overhoren:

  • Heb geduld! Het kind maakt niet expres fouten. Leer het kind dat het kan leren van de dingen die tijdens het overhoren fout gaan.
  • Hou het bij de stof en geef een waar nodig korte toelichting
  • Overhoor niet te lang. Liever een paar keer een kwartiertje dan een half uur aan een stuk.
  • Hou het tempo er in en herhaal telkens weer
  • Vraag zeker ook naar wat uw kind wèl weet! Dat is goed voor het zelfvertrouwen!
  • Varieer in de manier van overhoren
  • Gebruik humor! Zeker als het kind iets keer op keer fout doet

Een leuke techniek om te overhoren is de volgende:

Zie het als een interview!

Neem de rol in van interviewer. Maak het kind de deskundige. Vraag het kind het hemd van het lijf. Dit werkt vooral goed bij zaakvakken zoals geschiedenis en aardrijkskunde. 

Bijvoorbeeld voor aardrijkskunde: “Emigratie? Wat is dan dan? Hoe werkt dat dan? Ken jij iemand die daarmee te maken had?” enzovoort.

Ook kun je vragen of het kind les wil geven over het onderwerk.  Natuurlijk speel je dan een typische leerling en snap je het niet meteen. Humor werkt!

Ik wist het net nog allemaal!!!

Kinderen overschatten nogal eens hoe lang ze geleerd hebben. Als het kind de leerstof nog niet zo goed kent zou je de stof samen door kunnen nemen, of je spreekt af dat je over een uur nog een keer gaat zitten samen. Mocht het dan nog niet gelukt zijn kun je samen kijken waar het misgaat. Vooral geduld hebben, als je boos bent, of verdrietig, kan je niet leren.

 

Combineer de zintuigen

6a00d83452aade69e2015435760ef5970c-800wiWe leren allemaal dankzij én met behulp van onze zintuigen (horen, zien, ruiken, voelen). Iedereen heeft een bepaalde voorkeur voor zintuigen en een bijbehorende unieke leerstijl.

De één is auditief ingesteld en luistert dus graag, de ander is juist visueel ingesteld en leert beter door de dingen te zien. En dan zijn er nog diegenen die kinesthetisch zijn ingesteld; zij leren goed door te bewegen en bezig te zijn. Over het algemeen is de visuele leerstijl het meest dominant. Het is dan ook effectief om ondersteunend beeldmateriaal te gebruiken in de klas.

schema-vakHet is bewezen is dat je het beste leert als je zoveel mogelijk zintuigen prikkelt tijdens het leren. Zo worden alle delen van de hersenen benut en blijft de lesstof beter hangen.

Als er bij het leren meerdere zintuigen worden gecombineerd doet zich een interessant verschijnsel voor. De verschillende zintuigen versterken elkaar en de plakkans stijgt met sprongen (1+1=3).

puzzelJe kunt het zien als een grote puzzel. Er zijn nu meerdere hersengebieden die een stukje puzzel bevatten. Dit helpt bij het opslaan én bij het terugzoeken van de informatie.Als een van die stukjes geactiveerd wordt is het voor het brein eenvoudig de bijbehorende puzzelstukjes op te sparen. Het brein werkt immers als een krachtige associatiemachine.

Een voorbeeld: Is er een stuk leerstof dat niet wil blijven hangen? Lees het dan eens terwijl je er je favoriete snoepje bij eet. Tijdens de toets zal de herinnering aan dat snoepje het geheugen een boost geven.  Zo werkt dat ook als je leren combineert met eten bereiden en  nuttigen (geur, smaak), met de handen werken (tast), en tekenen en schilderen (visueel).

Gebruik dus als je zintuigen bij het leren! Zoek bijvoorbeeld op internet filmpjes die ingewikkelde leerstof uitleggen. Je kan meerdere keren kijken en het helpt je de leerstof beter te begrijpen en onthouden.

Werkwoorden leren in wolken

Rijtjes werkwoorden leren is vaak lastig. Deze methode werkt leuk bij beelddenkers.

De wolken zijn vast opgebouwd, in alle talen. Zo worden de structuren duidelijk en kunnen ze makkelijk de juiste vervoeging vinden.werkwoorden-leren

  • In het midden schrijf je het volledige werkwoord met vertaling.
  • Linksboven begin je met de ik-vorm
  • Zo ga je rond
  • Als laatste zet je het volledig vervoegde voltooid deelwoord.

 

De leerling zet dit op papier.

Het is handig als iemand die de taal juist spreekt de vervoegingen voorleest terwijl hij ze aanwijst.

Daarna pak je een klein papiertje waarmee je de vervoegingen kan afdekken.

Je gaat eerst 2 keer rond in de goede volgorde. In een rustig tempo dek je steeds de volgende vervoeging af. Het geeft niet als je de vervoeging nog even ziet, dat geeft juist zekerheid.

Daarna door elkaar. Je zal zien dat je op deze manier snel de werkwoorden frans lerenkent!

 

Gaat het leren niet zoals je wil?

leren-lukt-nietBesteed je genoeg tijd aan je huiswerk en verdien je eigenlijik betere cijfers?

Weet je wel hoe jij het beste leert? Neem eens een  stuk papier en werk volgende vragen door.

  • Op welke manier leer jij het beste?
  • Onder welke omstandigheden leer jij het beste?
  • Op welke plek leer jij het beste? Teken die plek !
  • Hoe pak jij het leren aan? Geef een voorbeeld !
  • Heb jij problemen met het leren?
  • Word je snel afgeleid bij het leren?
  • Welke onderwerpen binnen het leren maken voor jou het leren moeilijk?
  • Heb je last van angsten tijdens het leren?
  • Ben je bang om een proefwerk of repetitie te maken?
  • Wat heb je op school of (of ergens anders) geleerd over ‘hoe te leren?’

Ieder mens is uniek, er zijn veel manieren om te leren. Sommige mensen kunnen niet leren door ouderwets stampen, dat blijft niet hangen. Soms helpt het om bij het leren te bewegen, of om er beelden bij te zoeken.

Vraag er hulp bij als je er niet uitkomt welke manier van leren bij jou past. Soms zijn er heel simpele oplossingen waardoor het leren voor jou eenvoudiger en leuker wordt!

Begrijpend lezen

Deel 5 van 7 in de serie Leren lezen

Huiswerk PlannenBegrijpend lezen is van groot belang in onze talige maatschappij. Woordherkenning is voor begrijpend lezen van fundamenteel belang. Dit
proces van herkenning zou snel en vrijwel automatisch moeten verlopen.

Gebrekkige woordherkenning is één van de hoofd-oorzaken is van zwak begrijpend lezen. Kinderen die moeite hebben woorden te herkennen kunnen minder aandacht besteden aan de betekenis van deze woorden. Daardoor komen ze onvoldoende toe aan het begrijpen van de tekst.

Hierbij is het natuurlijk ook belangrijk dat de woordenschat voldoende is. Het helpt als het juiste beeld bij het woord opgeroepen kan worden.

Beelddenkers lezen vanuit het geheel. Vaak zien ze de zinnen niet woord voor woord maar als geheel. Vaak werkt dat goed, maar met name bij figuurlijk taalgebruik, abstracte teksten, of teksten zonder duidelijke lijn, hebben beelddenkers het zwaar.

Meer begrip

Het begrijpend lezen kun je verbeteren door het kind na elke alinea een beeld te laten geven van wat het gelezen heeft. Laat het de alinea in zijn eigen woorden terug vertellen. Vraag door om de tekst te laten landen.

Zo wordt de tekst stap voor stap duidelijker en overzichtelijker en raakt het kind niet meer in de war (of in paniek) tijdens het lezen. Je leert de kinderen ook dat ze kunnen schakelen als het beeld wat ze hebben niet past bij het verhaal.

Het kind zal op deze manier de tekst ook makkelijker kunnen plaatsen en onthouden. Een groot voordeel bij de zaakvakken als biologie, aardrijkskunde en geschiedenis.

Signaalwoorden

Als het begrijpend lezen niet goed gaat is het verstandig te kijken of de signaalwoorden goed zijn opgeslagen. Net als de lege woorden hebben deze geen bijbehorend beeld waardoor ze vaak worden overgeslagen. De oplossing is deze signaalwoorden visueel te laten opslaan.

Gratis download Signaalwoorden

rsz_1940176_10201461620051245_1039307614_nIs begrijpend lezen een uitaging voor je? Met bijgaand document krijg je meer inzicht in de signaalwoorden, hoe je ze kan herkennen en wat ze betekenen.

Bij signaalwoorden kan vaak geen beeld gevormd kan worden. Hierdoor worden ze vaak “overgeslagen”. Lastig, want voor begrijpend lezen zijn ze belangrijk!

Met bijgaand document leer je de signaalwoorden beter herkennen. Download het document en print het uit. Knip de kaarten en kaartjes uit.

De grote blauwe kaarten leg je neer, de kleine kaartjes ga je hierover verdelen. Het is handig met iemand samen te werken die een goed taalgevoel heeft, zodat je kan overleggen.

Vergelijk met de grote lijst of je de woorden goed neerlegt. Sommige woorden hebben meer betekenissen. Vraag je af: Welke woorden ken je al? Welke woorden nog niet? Kan je er zelf zinnen mee maken?

Download het document: Signaalwoorden-leren-herkennen

 

Motivatie en de wil om te leren

Deel 1 van 5 in de serie Motivatie

Schoolchildren bored in a classroom, during lesson.Motivatie is dat magische vlammetje dat je brandend moet zien te krijgen of houden; de motor die ervoor zorgt dat ze zélf willen. Het bepaalt niet alleen of kinderen voldoende tijd aan een opdracht besteden, ook of ze die tijd goed besteden.

Als leerlingen geen interesse tonen, hun materiaal niet in orde hebben, het geleerde niet herhalen, geen aantekeningen maken en geen hulp vragen als ze de leerstof niet begrijpen zijn dit duidelijke aanwijzingen voor motivatieproblemen.

Ook als een kind spijbelt en vaak niet naar school gaat, of het geeft aan van school af te willen zonder diploma, is dit een duidelijke aanwijzing van motivatieproblemen.

De motivatie kan per vak verschillen: kinderen kunnen bijvoorbeeld wel gemotiveerd zijn voor Engels en Nederlands, maar niet voor wiskunde en natuurkunde.

Motivatie is niet af te dwingen. Soms hebben ze gewoon geen zin. Soms zijn ze bang dat ze de opdracht niet aankunnen (faalangst) wat zorgt voor uitstelgedrag. Soms staat het stoer om slechte punten te behalen. Er zijn veel oorzaken waar een kind gedemotiveerd door kan raken.

Motivatie en leerstijl

Als kinderen vanuit hun eigen leerstijl kunnen werken zal hun motivatie verbeteren.

Leren door kijken en imiteren

Een beeld zegt meer dan duizend woorden.

Jonge kinderen leren door kijken, nadoen en uitproberen. Een baby krijgt geen tien-stappenplan om te leren lopen.

stapjesDoor vallen en opstaan leert het kind dat een bepaalde beenbeweging niet werkt en dat hij het kennelijk anders moet doen.

Deze beweging wordt dan niet meer gebruikt. Het zenuwstelsel leert en maakt zich zo de efficiënte spierbewegingen om te leren lopen eigen.

Het kijken naar en imiteren van iemand die de vaardigheid al beheerst is voor beelddenkers een prettige natuurlijke manier om zich de effectieve gewoonten en bewegingen eigen te maken die bij die vaardigheid horen.

Een grappig bewezen feit is dat na de televisie-uitzendingen van Wimbledon het algemene tennisniveau van de recreatietennissers een lichte stijging laat zien. Doordat mensen onbewust de bewegingen van bijvoorbeeld het serveren van de tennissterren ging nadoen wisten de spieren precies wat ze moesten doen.

De leerfases van Maslow

Het aanleren van nieuwe vaardigheden gaat via een vast patroon van 4 fases. Iedere fase brengt zijn eigen emoties mee.

de-vier-leerfases-van-maslow

Fase 1: Onbewust en onbekwaam

Je weet niet dat je iets niet kunt; bijvoorbeeld als je als kind iemand piano hoort spelen.

Fase 2:  Bewust en onbekwaam

Je wil dit gaan leren en hoe je dit wil aanpakken; je realiseert je dat je ook wilt kunnen pianospelen en dat daar allerlei handelingen voor nodig zijn)

Fase 3: Bewust en aan het leren

Je kunt het, maar je moet er voortdurend met je gedachten bij zijn om het te kunnen. Je neemt pianoles en beseft dat er heel veel bij komt kijken om een mooi stuk te kunnen spelen). Dit is de lastigste fase!

Deze fase brengt onzekerheid en frustratie Het is belangrijk om hier rekening mee te houden, zodat het je, tijdens de ontwikkeling van jouw talent, niet overvalt en ontmoedigt.

Er zijn mensen die in deze fase opgeven en zeggen: “Goed, ik kan het, maar het kost veel minder moeite om dit op mijn oude manier te doen. Misschien werkt het wel voor sommige mensen, maar ik voel me er niet echt lekker bij.” Daar schuilt wel een waarheid in. Het werkt, maar de oude manier heeft beperkingen.

Fase 4: Onbewust en bekwaam

Je hebt het geleerd; je speelt een mooi pianostuk zonder noemenswaardige inspanning.

Fase 5: Bewust en onbewust en bekwaam

Het niveau wat je bereikt moet hebben om les te geven. Je kunt de vaardigheid onbewust uitvoeren, en je weet bewust hoe je dat onbewust doet.

Meervoudige Intelligentie (MI) volgens Howard Gardner

miIeder mens heeft zijn favoriete leerstijl, of combinatie van leerstijlen. Er zijn 8 verschillende leerstijlen:

  • Verbaal-linguïstisch (woordknap)
    Taal, poëzie, spelling, lezen, verhalen
  • Logisch-mathematisch  (rekenknap)
    logisch denken, cijfers, experimenteren
  • Visueel- ruimtelijk (beeldknap)
    tekenen, schilderen, architectuur, vormgeven
  • Muzikaal- ritmisch (muziekknap)
    muziek luisteren, maken, componeren, herkennen
  • Lichamelijk- kinesthetisch (beweegknap)
    lichamelijke inspanning, knutselen, toneel, dans
  • Naturalistisch (natuurknap)
    dieren, planten, verzamelen, ordenen, natuurverschijnselen
  • Interpersoonlijk (mensknap)
    zorgen voor mensen, vrienden, leiding geven
  • Intrapersoonlijk (zelfknap)
    eigen gevoelens, dromen, alleen zijn, fantasieën

Op school worden vooral de leerstijlen woordknap en rekenknap gebruikt. Beelddenkers leren op een andere manier beter en sneller.

Als een kind op het gebied van automatiseren, lezen, spelling en rekenen, het schrijven of het volgen met de ogen problemen heeft dan is het goed om te gaan zoeken naar de leerstijlen van het kind.

De voorkeur voor leren is de ingang naar een veranderde aanpak.

Zingend rekenen, kleiend lezen en op de trampoline de tafels oefenen kan tot verrassende resultaten leiden. Het kind kan vaak heel goed aangeven hoe het wél graag leert.

Stepping Stones Engels Idioom

stepping stonesDe methode voor “Stepping Stones” voor Engels heeft een fijne manier om idioom te leren.

De te leren woorden worden in zinsverband gegeven. Het woord waar het omgaat wordt rood afgedrukt.

Bij het boek  zit een rood doorzichtig velletje bij dat je op de zinnen kan leggen, zodat het te leren, roodgedrukte woord, wegvalt.

Het leren in zinsverband maakt het makkelijker een betekenis te onthouden.

Woordkaartjes om woordjes te leren

woordkaartjesEen handige methode om rijtjes woorden te leren is door het gebruik van woordkaartjes.

Terwijl je de woordjes opschrijft leer je ze al een beetje dus dat scheelt!

Hoe werkt het?

  • Schrijf de woordjes elk op een apart briefje.
  • Schijf het Nederlandse woord op de voorkant
  • Eventueel kan je er een tekeningetje bij maken
  • Schrijf de vertaling op de achterkant.
  • Leg alle kaartjes bij elkaar
  • Pak de kaartjes één voor één
  • Als je het woord goed hebt gaat het kaartje op de “goed” stapel.
  • Bij een fout antwoord gaat het kaartje op de andere stapel.

Je kan net zo lang doorgaan tot alle woordjes op de “goed” stapel liggen.

Dit is een leuke manier omdat je direct resultaat ziet. Nog een voordeel is dat je de woorden door elkaar kan husselen, en je dus niet alleen hoeft te leren op te volgorde die in het boek staat.

Woordbeelden met alle zintuigen

3d woordBeelddenkers  zien en horen niet de woorden met hun afzonderlijke letters, maar de beelden (driedimensionaal) die hen vertellen wat een woord betekent.

Ze onthouden niet wat ze zien van een woord, zoals de letters en de manier waarop je het schrijft, maar ze kijken naar het totaalbeeld en onthouden wat ze er van weten (ervaring, gevoel). Vaak voegen ze ook nog  de essentie van de belevenis toe die ze erbij hebben.

De belevenis staat bij deze  kinderen voorop  omdat ze woorden eerst moeten vertalen in beelden om ze te kunnen begrijpen.

Klankwoorden die ze niet begrijpen, waar ze geen beeld bij hebben, zullen ze dan ook zo aanpassen dat ze voor hen wel een betekenis krijgen. Dat geeft vaak verrassende resultaten.

Onthouden door associatie

lente

Beelddenkers zoeken altijd naar overeenkomsten en verbanden. Ze leren door associatie. Hoe meer ze weten, hoe makkelijker ze bij kunnen leren. Nieuwe informatie blijft veel beter hangen als er een overeenkomst gevonden wordt met vroegere kennis en ervaringen.

Je kan het zien als een soort kapstokken, als de basis er eenmaal is kunnen er makkelijk nieuwe dingen aan worden opgehangen. Kennis wordt op die manier gekaderd.

Een nadeel kan zijn dat informatie verkeerd opgeslagen is of wordt. Verkeerd geassocieerd. Daarom is het zo belangrijk voor beelddenkers dat ze van te voren de kaders weten waarin ze iets moeten plaatsen.

Het beeld in hun hoofd wordt daardoor telkens groter en meer omvattend  maar kan tegelijkertijd ook chaotisch worden door een gebrek aan structuur. Daarom zal een beelddenker altijd proberen kennis te ordenen.

Beelddenkers zijn vaak laatbloeiers. Ze doorlopen met moeite de basisschool, op het VMBO gaat het al iets beter. In de bovenbouw van de middelbare school is het ergste achter de rug en kunnen ze stof  gaan baseren op kennis die ze al hebben. Het krijgt allemaal een plaats, valt op zijn plek.

 

Profiteer van je fouten!

Deel 7 van 8 in de serie Toetsen en overhoringen

Fouten maken vindt niemand leuk. Je kan je fouten negeren, doen of ze niet belangrijk zijn of je kan anderen er de schuld van geven… Slimme mensen maken ook fouten maar leren daarvan!

Je fout erkennen en onder woorden brengen is vaak niet leuk maar wel zeer effectief! Kom je in de toekomst een soortgelijke opgave tegen dan zal je het probleem waarschijnlijk herkennen en op de goede manier oplossen.

Als je niet zeker weet waarom een vraag fout is gerekend, zoek het dan op in je boek. Het is belangrijk dat je je fouten begrijpt. Je kan het ook vragen aan een klasgenoot, een ouder of aan de docent.

Als de docent de toets doorneemt in de klas, maak dan aantekeningen. Schrijf op welk antwoord de docent wel goed gerekend zou hebben. Vraag om toelichting als je het niet begrijpt.

Wat kan je leren van je fouten?

  • Wie zijn eigen fouten kan beoordelen leert meer dan anderen.
  • Je onthoudt beter en sneller en je krijgt betere vaardigheden.
  • Je basiskennis is beter, vooral met wiskunde is dit belangrijk!

Maak een foutentabel

Met deze methode kijk je naar wat nog niet helemaal goed gaat. Per fout ga je in uitzoeken en opschrijven wat er misgegaan is en hoe je wel tot een goede oplossing komt. Maak een vel met 3 vakken.

  • In vak 1 schrijf je de opgave die fout had.
  • In vak 2 kijk je naar wat je fout hebt gedaan en beschrijf je dit (bijvoorbeeld: ik heb de oppervlakte berekend en niet de inhoud, of ik ben vergeten het min-teken om te draaien).
  • Begrijp je het nog niet? In de klas kan een docent je helpen of een leerling die de som wel goed heeft gemaakt. Thuis kun je je ouders om hulp vragen. Vraag net zolang door tot je het écht begrijpt. Misschien kan het probleem op een andere manier uitgelegd of opgelost worden.
  • Als je begrijpt wat je fout hebt gedaan schrijf je in vak 3 de goede oplossing op.

Woordjes leren door woordparen

slide2boptDe volgende methode werkt vaak erg goed:

  1. Overschrijven in woordparen van 10
  2. Doorlezen
  3. Visualiseren
  4. Leren en controleren
  5. Probleemwoorden filteren
  6. Eindcontrole

De eerste 2 stappen, het overschrijven en doorlezen kun je het beste alleen doen. Bij de volgende stappen kun je ook iemand vragen of hij je wil helpen met visualiseren en overhoren. Overhoren helpt bij het beter onthouden van de woordjes!

Stap 4 en 5 kun je ook doen met behulp van een woordjesprogramma als Audivididici of WRTS. Ga door tot je een 7 hebt en print het lijstje met overgebleven woorden uit; dit is je uitdagingsgroep. Dit lijstje moet je wel overschrijven; zo blijft het beter hangen!

1. Overschrijven in groepen van 10

Schrijf alle woordjes die je moet leren over in woordparen.  Per vel papier schrijf je een groep van maximaal 10 woordparen op. Links het vreemde woord en dan rechts het Nederlandse woord.

Na het opschrijven van 10 woordparen pauzeer je 2 tot 3 minuten.

2. Doorlezen per woordgroep

Lees de groep hardop voor. Eerst het vreemde woord en dan het Nederlandse woord. Lees zorgvuldig: niet te snel (dan krijg je de woorden niet goed mee) en niet te langzaam (dan word je afgeleid). Je hoeft de volgorde van de woordparen niet te veranderen. Dit voorlezen doe je 6 tot 10 keer.

Controle: dek de Nederlandse woorden af met een vel papier en controleer wat je onthouden hebt. Wat je niet onmiddellijk te binnen schiet dat streep je even aan.  Hierna doe je hetzelfde met de vreemde woorden.

Pauzeer hierna 2 tot 3 minuten.

3. Visueel opslaan per woord

Net heb je aangestreept welke woorden nog moeilijkheden geven. Van deze woorden ga je het woordbeeld opslaan (je maakt er als het ware een foto van). Lees hier over het visueel opslaan van een woordbeeld.

  • schrijf het vreemde woord op een wit papiertje
  • kijk goed naar het hele woord
  • spel het woord hardop
  • lees het woord hardop voor
  • sluit je ogen en schrijf je het woord op in je hoofd

Als controle spel je het woord van voren naar achteren en van achteren naar voren.

4. Directe controle per woordgroep

Lees de groep nog een keer door en overhoor jezelf per woord. Kijk direct na of je antwoord juist was.  Dit herhaal je net zo lang tot je alle woordparen kent.

Pauzeer 3 tot 5 minuten.

Hierna ga je door met de volgende woordgroep die je moet leren: weer met stap 2. Let op: per dag kun je maximaal 4 van deze woordgroepen leren!

5. Totaalcontrole: alle woordgroepen

Overhoor nu alle groepen direct achter elkaar. Streep alles aan wat je niet zeker weet of wat je niet onmiddellijk te binnen schiet. Deze woordparen schrijf je opnieuw op; dit is je “uitdagingsgroep”. Deze uitdagingsgroep behandel je hetzelfde als de andere woordgroepen met stap 2, 3 en 4.

Hierna leg je je werk voor minstens een paar uur weg. Het beste kun je gewoon rust nemen of gaan slapen.

6. Eindcontrole

Hier doe precies dezelfde controle als in stap 5. De woorden die je nu nog overhoudt (waarschijnlijk heel weinig) vormen de “crisisgroep”. Deze woorden schrijf je in een schrift bij elkaar zodat je ze voor een volgende toets nog een keer door kan nemen.

Leren en onthouden

Effectief leren gebeurt in een aantal stappen. Voor zaakvakken als geschiedenis, aardrijkskunde of biologie moeten vaak lange stukken tekst worden onthouden. De volgende manier werkt vaak het beste:

  1. Overzicht krijgen
  2. Lezen en begrijpen
  3. Onthouden en herinneren
  4. Herhalen en gebruiken

1. Overzicht krijgen:

Ongeveer een week voor de toets is het belangrijk dat de stof snel wordt doorgenomen. Dit zet in je hersens allerlei processen aan het werk die het later makkelijker maken de stof op te nemen!

Blader het boek door, lees de koppen, bekijk de plaatjes en grafieken. Scan snel door de leerstof. Neem voor een dik boek ongeveer 20 minuten en voor de dikte van een tijdschrift niet mer dan een minuut of 5. Concentreer je op wat je te weten wil komen en waar het eigenlijk om draait. Noteer opkomende vragen! Zie ook “snellezen“.

Leg je leerstof dan weer weg en laat het een paar dagen bezinken.

2. Lezen en begrijpen:

Het állerbelangrijkste van leren is begrijpen! Wat je niet begrijpt, kan je niet onthouden. Als je begrijpt wat er gezegd wordt kun je het makkelijker en langer onthouden, soms bijna vanzelf! Bij het begrijpen zijn er 3 struikelblokken:

2.1 Woordkennis

Weet je van alle woorden wat ze betekenen? Sommige woorden hebben meerdere betekenissen, let daarop! Woorden die onduidelijk zijn kun je het beste opzoeken in een woordenboek of op Google. Probeer je een beeld te vormen en maak er daarna zinnen mee.

Onderschat dit belang niet! Alle ideeën, zelfs rekenen en wiskunde, worden overgebracht in taal!

2.2 Geen stappen overslaan

Het is belangrijk dat de volledige stof wordt doorgenomen (topdown). Lees het hele hoofdstuk en niet alleen de samenvatting, anders zie je het geheel niet meer.

Lees de stof rustig door. Per alinea vertaal je wat er staat in je eigen woorden. Doordat je de stof in je eigen woorden vertaalt ben je al bezig met het leerproces! Zoek naar verbanden en maak aantekeningen!

Stel jezelf vragen en kijk naar de vragen die je in stap 1 al hebt gesteld. Probeer deze vragen te beantwoorden in je eigen woorden.

Bij praktische vakken is het belangrijk dat je alle opdrachten uit het handboek nog een keer maakt, vanaf de eerste opdracht. Ieder hoofdstuk bouwt namelijk verder op eerder opgedane kennis dus een klein hiaat kan een groot probleem worden!

2.3 Tastbaarheid

Maak alle stof tastbaar door het maken van schema’s, tekeningen, grafieken en mindmaps!

Wat we met onze primaire zintuigen waarnemen (bijv. zien) wordt het makkelijkst onthouden. Iedereen weet bijv. wel wat een poes is. Abstracte stof die we het niet direct kunnen waarnemen (bijv. een molecuul) is moeilijker te begrijpen, en dus te onthouden.

Probeer abstracte dingen dus te vergelijken echte dingen. Hulpmiddelen als een atlas, Google, Youtube. klei en Lego kunnen helpen dingen concreter en echter te maken.

3. Onthouden/herinneren

Het geheugen is opgedeeld in een korte termijn geheugen (ktg) en een lange termijn geheugen (ltg). Het ktg heeft weinig capaciteit, wat erin staat wordt snel weer vergeten. Het ltg heeft veel capaciteit en de dingen worden lang onthouden. Alles wat geleerd wordt komt in de eerste instantie terecht in het ktg. Dit vergeet je jammer genoeg snel weer. Hoe zorg je nu dat je de dingen langer onthoudt?

Het is beter regelmatig kort te oefenen dan één keer lang te oefenen. Drie keer 20 minuten is veel meer waard dan een uur!

3.1 Wat ben je eigenlijk aan het leren?

Met welk deel van het geheel ben je bezig? Kijk niet alleen naar de paragraaf en het hoofdstuk. Als je de stof kan benoemen en plaatsen komen de feiten in je hoofd in de juiste map met de goede naam. Zo kun je de informatie beter oproepen als het nodig is (bij een toets bijvoorbeeld). Zie ook topdown denken en wiskunde.

3.2 Visueel/verbaal:

  • Maak een plaatje van de stof. Zoek op Youtube of Google afbeeldingen.
  • Vertel er hierna over in je eigen woorden. Dit moet je op een toets tenslotte ook kunnen.

3.3 Verbanden zoeken:

Alles houdt verband met elkaar. Door mindmaps en schema’s te maken ga je ordenen en verbanden leggen. Hierdoor worden nieuwe feiten gekoppeld aan dingen die je al weet. Dit heet associëren.

3.4 Waar gaat het om?

Maak een samenvatting. Probeer hoofd- en bijzaken te scheiden en de essentie op te pakken. Een supermanier is een mega-spiekbrief te maken waar alles wat je moet onthouden opstaat. Deze spiekbrief is natuurlijk zo groot dat je hem niet kan gebruiken dus je moet hem net zo vaak verkleinen tot het een klein briefje is met alle belangrijke stof erop. Je zal zien dat je dit spiekbriefje niet meer nodig hebt!

3.5 Ezelsbruggetjes:

Droge feiten hebben soms ezelsbruggetjes nodig. Denk aan het “’t kofschip”,  TVTAS of Meneer van Dale wacht op antwoord….. Ook dit geeft een kader aan de feiten die onthouden moeten worden.

4. Herhalen en gebruiken

Wat zijn de belangrijke punten? Scan de stof nogmaals. Sluit na elke paragraaf het boek en herhaal de tekst in eigen woorden.

De stof wordt extra vastgezet in het geheugen door de stof te oefenen en te gebruiken. Dit kan d.m.v.:

  • een mindmap maken
  • een beeldsamenvatting maken
  • een mega-spiekbrief maken (die je niet gebruikt)
  • oefeningen maken
  • vraagstukken oplossen
  • denkvragen beantwoorden

Ken je leerstijl

LerenVoor het kind zelfstandig kan gaan leren moet het eerst inzicht krijgen in zijn eigen leerproces. Vaak doen ze maar wat en hebben ze geen overzicht. Dit brengt chaos en vaak paniek…

Breng samen structuur in wat het kind moet doen. Maak hiervoor een stappenplan.

  1. Vooraf: Wat moet ik precies doen, kennen, kunnen?
  2. Vooraf: In  welke volgorde ga ik dit aanpakken; hoeveel tijd heb ik daarvoor nodig? Hoeveel tijd heb ik?
  3. Tijdens het werk: Ben ik goed bezig? (of begin ik ergens anders, zoek ik eerst iets op van vorige les)
  4. Achteraf: Heb ik het goed aangepakt? Kan ik het? Had ik voldoende tijd?

Zorg dat het kind het leren niet teveel onderbreekt maar laat het wel op tijd pauzeren.

Tips:

  • leer het kind vol te houden
  • leer het kind hulp te vragen
  • laat het kind zelf dingen oplossen,
  • laat kinderen fouten maken, ook in het huiswerk. Fouten zijn leerkansen!
  • leer kinderen hoe ze zelf een probleem kunnen aanpakken.

Onderstaand filmpje gaat over het leerproces.

Zelfstandig leren

Om zelfstandig te kunnen leren heeft een kind een aantal basisvaardigheden nodig.  Allereerst is het belangrijk dat het kind lekker in zijn vel zit en zich veilig voelt.

Wat heb je nodig om zelfstandig te kunnen leren?

[posts-by-tag tags=”zelfstandig-leren” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Spot: overhoorprogramma audivididici

Een superprogramma om woordjes te leren (en ook nog gratis) is audivididici. Dit overhoorprogramma lijkt op wrts maar combineert woord, afbeelding en geluid. Het programma is voor vrijwel alles geschikt, van aardrijkskunde tot Grieks!

Bestanden zijn makkelijk te maken en bewerken. Gebruik je al een ander overhoorprogramma? Geen probleem, alle bestanden zijn gewoon te openen.

Wat kan ik ermee?

Woordjes leren natuurlijk! Maar ook ontleding van zinnen is mogelijk door bijvoorbeeld delen van zinnen een andere kleur te geven. Of aardrijkskunde of geschiedenis. Afbeeldingen en geluiden zijn met een druk op de knop van het internet te downloaden. Uitspraak is direct op te nemen. Ook is er een lijst aanwezig waarin u snel een woord kunt opzoeken om te bewerken.

Talen

Audivididici is geschikt voor Westerse talen. Accenten en andere tekens zijn snel geplaatst. Via een handig menu zijn de gekste letters te selecteren. Voor de gevorderde gebruiker is dit menu ook via het toetsenbord eenvoudig aan te spreken.

Ook (oud-)Grieks wordt uitstekend ondersteund. In veel andere overhoorprogramma’s zijn tekens als spiriti en accenten in het Grieks erg lastig. Het menu verandert automatisch wanneer voor een andere taal wordt gekozen. Ook wordt bijvoorbeeld in het Grieks de eindsigma automatisch herkend.

Woordjes leren met iPhone, mindmap en wrts

Het Jan van Egmond Lyceum in Purmerend maakt gebruik van de mobiele werkvorm LOMO, oftewel ‘learning on the move’. In de brugklas leren de leerlingen Engels met behulp van een iPhone, een mindmap en woordenlijsten in een online overhoorprogramma.

Deze gecombineerde werkvorm van mindmap, iPhone en wrts is geleidelijk in het laatste jaar ontstaan. De school is begonnen met mindmappen op papier. Daarna is de electronische vorm min of meer ‘ontdekt’. Een echte eyeopener was de mogelijkheid om digitale informatie(tekst/beeld) via email naar de mindmap te sturen. Daarmee kwam vervolgens de iPhone in beeld en als logisch sluitstuk het online overhoorprogramma ‘wrts’.

In deze video zie je hoe het Jan van Egmond Lyceum gebruik maakt van nieuwe media.

Bron: www.leraar24.nl

Beeldsamenvatting

Bron: www.leraar24.nl

Natuur- en scheikunde leraar Frits Pals geeft les met behulp van beeldsamenvattingen. Beeldsamenvattingen zijn tekeningen waarin de leerling de geleerde stof verbeeldt. Op basis van deze tekeningen kun je zien in hoeverre de leerling de stof begrijpt. Volgens Frits Pals geeft een beeldsamenvatting de leerling namelijk minder ruimte om zijn gebrek aan kennis of inzicht te camoufleren. Essentieel daarbij is dat de leerling de leraar uitleg geeft over zijn beeldsamenvatting. Door een leerling een tekening te laten maken van de stof zoals hij of zij deze ervaart, krijg je een kijkje in de denkwereld van een leerling.

Een tweede voordeel is dat leerlingen zelf makkelijker lijken te leren als ze daarbij gebruik maken van tekeningen. Tijdens het tekenen is de leerling langer bezig een situatie te verkennen, daardoor krijgt de leerling de gelegenheid om de stof te verwerken. Bovendien werkt het voor sommige leerlingen beter om niet alleen in tekst, maar ook in beelden te denken.

Frits Pals doet zelf onderzoek naar de effecten van het gebruik van beeldsamenvattingen bij de faculteit Psychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Hoewel het onderzoek nog niet is afgerond lijken de resultaten van een eerste proef positief: leerlingen die mochten tekenen om zo negen voorgelezen zinnen te onthouden, konden na tien minuten meer informatie reproduceren dan de groep die niet mocht tekenen.

In deze video wordt vooral ingegaan op het maken van een beeldsamenvatting. Binnenkort komt er ook een video over instructies en gesprek voeren bij beeldsamenvattingen.

Een belangrijk onderdeel van het werken met beeldsamenvattingen is het voeren van een reflectiegesprek over de getekende stof. In dit gesprek vraagt Frits Pals de leerling om een deel van de stof uit een voorgaande les te reproduceren, waarbij de leerling gebruik mag maken van zijn beeldsamenvatting. Door de leerling op de juiste manier te begeleiden in het gesprek, zorg je ervoor dat de leerling op zijn eigen leerproces reflecteert.

Informatieproces

Iedereen gebruikt hetzelfde informatieproces:

  • opnemen
  • verwerken
  • opslaan/onthouden
  • gebruiken

Per persoon verschilt de voorkeur van het opnemen,verwerken en onthouden van de informatie (informatiesysteem):

  • horen (auditief)
  • voelen (kinetisch)
  • denken (auditief digitaal)
  • zien (visueel = beelddenken)

Taalkundige ontwikkeling

Onder 8 jaar:

De hersens slaan letters en woorden willekeurig op, met verkeerde vormen, zonder ruimte ertussen, gespiegeld of gedraaid, of een combinatie van allemaal. De weg van wat de ogen zien naar hoe het beeld wordt opgeslagen is nog erg complex!

Tussen 6 en 12 jaar:

Gemiddelde leerlingen en beelddenkers hebben nog moeite met het begrijpen van abstracte dingen. Hieronder vallen tijd, tegenwoordige/verleden tijd, letters, volgorde van cijfers,meten en wegen, tafels, delen, beruken, percentages, decimalen en geld.

Woorddenkers leren volgorderlijk, ze kunnen dingen onthouden en toepassen zonder ze echt te begrijpen. zo komen zij de basisschool door.

Beelddenkers leren in hele beelden en moeten de dingen dus eerst overzien en begrijpen om ze te onthouden. Dit kan grote problemen geven op school.

Tussen de 12 en 14 jaar

De meeste kinderen krijgen meer begrip voor abstracte concepten en taal. De beelddenker krijgt ook meer begrip voor abstracte dingen maar heeft toch nog moeite beelden te accepteren die hij niet begrijpt.

Lege woorden

Beelddenkers hebben een sterke rechter hersenhelft en een zwakke(re) linker hersenhelft. De rechter hersenhelft zet alles om in concrete beelden.Veel woorden zijn abstract, het zijn “lege woorden”. Denk hierbij aan terwijl, hoe, en, veel, talent, reden. Deze woorden kunnen niet in een plaatje worden omgezet en dus worden ze niet opgeslagen. Ieder leeg woord zal dus als woordbeeld opgeslagen moeten worden.

Cijfers en letters zijn abstract

Op zichzelf stellen ze niets voor.Beelddenkers hebben het hier moeilijk mee, ze gebruiken verkeerde letters, draaien ze om, gebruiken de verkeerde vorm of maat en spiegelen of draaien ze. Het is goed het alfabet als geheel op te slaan zodat alle letters met de goede kant naar boven staan en niet kunnen gaan “zweven”.

Vlgones een oznrdeeok op een Eglnese uvinretsiet mkaat het neit uit in wlkee vloogdre de ltteers in een wrood saatn, het einge wat blegnaijrk is is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn.

Als de eerste en laatste letter van woorden correct geplaatst zijn kan de zin begrepen worden. Beelddenkers denken altijd zo, voor hen maakt het niet zoveel uit welke letter waar staat.Van boven, naar beneden, van links naar rechts en van achter naar voren.

Regel volgen van links naar rechts

Veel beelddenkers hebben ook moeite een regel te volgen van links naar rechts en deze regel vervolgens ook te begrijpen. Het is belangrijk dat dit voor het twaalfde jaar getrained wordt!