Hooggevoeligheid (HSP) en beelddenken

Een hoogsensitief persoon (HSP) is extreem gevoelig voor indrukken en prikkels en merkt meer signalen en details op.

Veel beelddenkers zijn hoogsensitief. Vaak zijn ze extreem gevoelig voor geluid, licht en aanraking. Het lijkt wel of hun filter niet functioneert. Mensenmassa’s of harde muziek kunnen voor HSP’s al snel te veel zijn. Ze raken dan overprikkeld door letterlijk een teveel aan 
(sterke) prikkels.

Hooggevoelige mensen zijn zich extreem bewust van hun omgeving en moeten zich vaak aanpassen. Deze gevoeligheid ais erg lastig in de klas. Zonder goed werkend filter is het lastig om je te concentreren met zoveel mensen om je heen.

Geluid

Vaak is het gehoor zo gevoelig dat zij geluiden horen die anderen “wegfilteren”,  ze horen op grote afstand bijvoorbeeld een gefluisterd gesprek. Achtergrondgeluiden zijn net zo sterk als voorgrond-geluiden en dus moeilijk te negeren. Piepgeluiden van bijvoorbeeld  lampen lijken heel luid en kunnen hen gek maken.

Licht

Hooggevoelige kinderen hebben erg veel last van helder en schel licht. Dit doet letterlijk pijn aan de ogen! Dit kan zonlicht zijn maar ook overhead-licht of TL-balken. Het resultaat kan zijn dat ze bij het lezen woorden of regels overslaan, moe of afgeleid worden, rusteloos en ongedurig worden. Ook kunnen ze last van hoofdpijn krijgen, waterige of geïrriteerde ogen krijgen en veel knipperen. Gedimd, indirect of natuurlijk licht hebben de voorkeur, zelfs in de winter zouden ze het liefst een zonnebril dragen.

Aanraking

Aanraking is ook vaak een teer punt. Knuffelen en geknuffeld worden is prima maar alleen als zij het willen en vooral niet onverwachts! Ze zijn erg kieskeurig over hun kleding. Labels in de kleren worden niet verdragen, wol op de huid is te kriebelig en sokken mogen vooral geen draadjes hebben aan de binnenkant!

Meer eigenschappen:

  • houden van dromen, fantaseren en filosoferen
  • vinden het vaak fijn om alleen te zijn
  • vinden rechtvaardigheid en respect belangrijk
  • zijn vaak plichtsgetrouw en anticiperend op de behoeften van anderen
  • worden meer dan gemiddeld door bijvoorbeeld natuur, kunst of muziek geroerd
  • voelen stemmingen van anderen goed aan
  • nemen gedetailleerder, subtieler en intenser waar
  • ervaren, reflecteren en voelen diep en intensief
  • hebben last van stemmingswisselingen en sterke emoties
  • hebben meer kans op depressiviteit, chronische vermoeidheid en verslavingen
  • hebben afkeer van specifieke indringende prikkels
  • worden geprikkeld door dingen die anderen niet schijnen op te merken
  • sneller verzadigd door bepaalde prikkels
  • hebben relatief meer last van spanning en stress
  • meer last van fysieke klachten zoals hoofdpijn, maag/darmklachten huidirritaties en allergieën
  • vinden kwaliteit en bevrediging van het werk zeker zo belangrijk als het financiële inkomen

Plussen en minnen

Hooggevoeligheid  is een eigenschap die positief ingezet kan worden. Je kunt bijvoorbeeld sneller gevaren signaleren, in de gaten hebben dat iemand liegt, kleine nuanceverschillen waarnemen, intenser genieten van kunst of muziek en beter concentreren.

Valkuilen kunnen bijvoorbeeld zijn: te hard werken (workaholic), te zorgzaam zijn voor anderen (en te weinig voor jezelf), te perfectionistisch zijn, je overladen voelen door indrukken en bang zijn om fouten te maken. Vaak voelen hoogsensitieve mensen een grote verantwoordelijkheid voor het geheel van de organisatie en de maatschappij.

Veel hooggevoelige mensen voelen zich lang anders en vragen zich af wat er mis is met hen. Door het accepteren van de eigen hooggevoeligheid kan het een kwaliteit en een gave worden.

Het is belangrijk niet altijd open te staan, goed te leren
aarden, grenzen te stellen, de innerlijke kracht te versterken
en een juiste balans te vinden tussen activiteit en rust.

Communicatie met een beelddenker

mother_child_talking_rexBeelddenkers zijn vaak gevoelige kinderen met een bijzondere manier van denken. Vaak worden ze niet zo goed begrepen door hun omgeving. Hun gedrag en
sociale vaardigheden vallen op en worden door sommigen zelfs als storend
ervaren.

Een beelddenker is vaak niet zo bezig met communicatie. In hun fantasie zijn dingen vaak al zo
levendig beleefd dat de noodzaak erover te praten ‘vergeten’ wordt.

Soms lijkt het wel of beelddenkers op een andere frequentie zitten. Zet
twee beelddenkers bij elkaar en ze kunnen elkaar prima volgen. Als
niet-beelddenker is dit een stuk lastiger…

Ze hebben al snel het idee dat ze iets fout doen. Word niet te snel boos want dat komt hard binnen bij deze gevoelige kinderen! Vaak is het al voldoende als je op een rustige manier zegt dat je iets niet prettig vindt. Preken helpt overigens niet, ze zullen dan snel de aandacht kwijt raken en de communicatie afsluiten.

Bij langere verhalen
blokkeren ze vaak, vooral als ze terechtgewezen worden. Vraag dan: “Wat
zei ik?” om ze weer ‘terug’ te krijgen.

Kenmerkend in de communicatie met een beelddenker :

  • Wegkijken van de gesprekspartner. Ook als de ander zwijgt zendt hij informatie uit. Als de beelddenker zijn gedachten in woorden om moet zetten dan zal hij meestal wegkijken.
  • Gevoelens onder woorden brengen is lastig
  • Timing is lastig: beelddenkers zijn vaak net te langzaam of te laat met een antwoord. Informatie moet eerst vertaald worden voor er een antwoord paraat is
  • Beelddenkers springen in een gesprek vaak van de hak op de tak; zelfs midden in een serieus gesprek. Er is altijd wel wat te zien en op te associëren.
  • Soms gebeurt het dat een beelddenker in gedachten al antwoord heeft gegeven op een vraag, maar dat dat in het echt nooit gebeurd is.

Je bereikt het meeste door:

  • begrip te hebben voor hun manier van denken en leren
  • redelijke eisen te stellen
  • eerlijk te praten en toe te geven dat de schooljaren niet voor alle kinderen leuk zijn
  • ze rustig tot de orde te roepen


Problemen met lezen: klanken

Lezen (zeker voor beginnende en zwakke lezers) is het vertalen van van teken(s) naar klank. Voor beelddenkers is het nog gecompliceerder. De tekens worden eerst naar een plaatje vertaald en daarna naar klank.

Iedere alfabetische taal heeft eigen klankafspraken met het alfabet. In de Nederlandse taal wordt het alfabet gebruikt om 43 klanken weer te geven.

Letter-klank koppelingen

Om vloeiend te kunnen lezen is het belangrijk dat al deze klanken visueel opgeslagen zijn. Door de klanken aan letterbeelden te koppelen worden de klanken makkelijker herkend en wordt het lezen veel sneller.

Klinkers

Van de 5 klinkers uit het alfabet zijn 23 klinkers gemaakt en drie klinker-medeklinkercombinaties. Dit zijn korte klinkers (a, e, i, o, u), lange klinkers (aa, ee, oo, uu), twee-teken klinkers (ei/ij, ou/au, ie, eu, oe, ui), drie -teken klinkers (aai, ooi, oei), stomme klinkers (e, i/ -ig), ij /-lijk)) en de klinker-medeklinkercombinaties ‘eeuw’, ‘ieuw’ en ‘uw’.

Medeklinkers

De medeklinkers vallen grotendeels samen met het alfabet met uitzondering van de sch, ch/g, ng, nk, -d/-t en -b/-p. De medeklinkers c, q en x worden alleen in buitenlandse woorden (leenwoorden) toegepast.

Faalangst op school

Deel 2 van 4 in de serie Faalangst

leerkrachtCognitieve faalangst is faalangst die te maken heeft met het leren.

Deze vorm van faalangst komt voornamelijk voor in de schoolse omgeving. Het betreft zowel het oppakken van nieuwe leerstof als het toetsen van de bestudeerde stof.

Deze leertaken kunnen zodanige angst opleveren (klamme handen, hoofdpijn, hartkloppingen en buikpijn) dat de leerling belemmerd wordt in zijn leerproces.

Het toppunt van cognitieve faalangst is natuurlijk het proefwerk of de overhoring.

Door goed te kijken en te luisteren naar leerlingen kan de leerkracht signalen opvangen die wijzen op faalangst. Lichamelijke reacties, zoals klamme handen, buikpijn, transpireren, hartkloppingen, misselijkheid en hoofdpijn. Al deze zaken kunnen de leerling erg belemmeren in zijn leerproces.

Faalangst kan zich op verschillende manieren laten zien. Er zijn perfectionisten en actieve vermijders tegenover uitstellers, opgevers of passieve vermijders. Perfectionisten leren heel veel, zeer nauwgezet en uit het hoofd. Als er iets misgaat raken ze in paniek. Uitstellers, opgevers en vermijders verminderen hun spanning door niet mee te doen.

Wat kan je als leerkracht doen?

De interactie tussen leerkracht en leerling bepaalt in hoge mate het al of niet faalangstig zijn van leerlingen. Je kunt als leerkracht veel doen om deze leerlingen te helpen.

Procesgerichte begeleiding

Besteed meer aandacht aan het proces en minder aan het eindprodukt. Leerlingen met faalangst krijgen dan onderweg al een beter gevoel. Denk aan opmerkingen als:

  • Hartstikke goed, dat je je profielwerkstuk zo mooi op tijd hebt afgekregen
  • Wat leuk, dat je een origineel onderwerp voor je spreekbeurt hebt gevonden!
  • Jammer van die onvoldoende, juist nu je er zo voor knokt om je gemiddelde omhoog te brengen!

Daarnaast is fijn als je met het kind praat over de faalangst. Maak duidelijk dat het kind ertoe doet! Dat de prestaties losstaan van hoe jij het kind ziet.

Zeg dat het je opvalt dat het kind zich onzeker voelt en vraag of je hem of haar kunt helpen. Spreek  af dat het kind je altijd om hulp kan vragen.

Wat kun je verder doen?

  • maak duidelijk dat de leerling ertoe doet
  • voorspelbaarheid in de communicatie
  • consequent gedrag naar leerlingen
  • zeg het kind dat je gelooft dat hij het kan
  • maak duidelijk dat je geen perfectie verwacht
  • gebruik positieve nakijkmethoden (bijv. aangeven wat goed is ipv fout)
  • zorg voor een vriendelijke en veilige sfeer in de klas
  • maak duidelijke afspraken over prestatie
  • zorg dat het doel duidelijk is
  • leer het kind plannen

Veel informatie over faalangst op school kun je vinden op: www.faalangst.nl

Een geweldige lijst met tips en adviezen vind je op www.orthoconsult.nl

Dit filmpje geeft tips hoe je als leraar met faalangst kan omgaan.

Lege woorden overslaan

Onze taal bevat veel woorden waarbij je direct een beeld kan oproepen zoals: maan, ster, vis en hond.

Deze woorden geven meestal geen problemen bij het lezen.

Onze taal bevat ook veel woorden waarbij niet direct een duidelijk beeld op te roepen valt, zoals bijvooorbeeld lidwoorden, abstracte zelfstandig naamwoorden,  en bijvoeglijk naamwoorden. Vaak gaat het maar om kleine woordjes zoals geen, niet, de, het, een, omdat, die, dat, enz.

Beelddenkers slaan deze woorden vaak over omdat ze voor hen eenvoudigweg geen betekenis hebben. Een beelddenker onthoudt in beelden. Hoe moet je een woord onthouden als er geen beeld bij hoort?! Bij het lezen maar ook bij het schrijven zullen ze deze woorden vaak overslaan.

Dit levert een probleem op bij het halen van de leesniveau’s op school, hier wordt namelijk streng op gelet. Ook begrijpend lezen kan een probleem zijn, zeker bij vragen op het examen als: Waar slaat het woord “omdat” op?

Tijdens de training ‘Ik leer anders’ slaan we al deze woordjes op als plaatjes. Lezen gaat daarna een stuk makkelijker!

Rommel in het hoofd

Beelddenkers geven zelf vaak al aan ‘Mijn hoofd zit zo vol’. Door het associëren en de vele beelden die ze zien is het een rommel in het hoofd.

Tijdens de training gaan we samen het hoofd opruimen. Ik ga het kind vragen waar de getallen zitten, en waar de letters. Beelddenkers weten precies wat je dan bedoelt! Op dit moment krijgt een kind al inzicht hoe het bij hem in elkaar zit. Meestal vinden ze het een rommel en willen ze daar graag wat aan doen (echt!).

Dan gaan we kamers of kasten maken waar gelijksoortige informatie verzameld wordt. Bijvoorbeeld een blauwe kamer voor taal en een rode kamer voor rekenen. Het kind visualiseert hoe de kamers eruit zien. Verder in het proces gaan we bijvoorbeeld de tafels opslaan in de rekenkamer, als een soort spiekbriefje. Woorden slaan we als plaatjes op in de taalkamer; het kind projecteert het woord op de muur.

Op het moment dat dingen zo worden opgeslagen is vaak nog wel wat herhaling nodig, maar na een week oefenen zit een tafel er bijvoorbeeld muurvast in. Ze lezen hem zo op “uit de kamer”. Doordat ze het als plaatje hebben opgeslagen kunnen de rijtjes van de tafels ook voor de deelsommen gebruikt worden (de cijfers blijven hetzelfde namelijk!).

Om structuur te geven aan de tijd kun je een planbord gebruiken. Die vul je op een vaste dag in de week en daarna slaan ze hem op als een plaatje.

Gedrag en persoonlijkheid

11 Beelddenkers zijn meestal erg gevoelig. Het zijn kinderen die veel aanvoelen en empathisch zijn. Ze zijn sociaal zeer bewogen en zullen niet snel pesten of lelijk doen tegen een ander kind. Het zijn geen meelopers. Ze voelen wel dat ze daar anders in zijn. Ze zijn er goed in zich aan te passen en ervoor te zorgen dat ze niet opvallen.

Vaak zijn beelddenkers erg onzeker, dit maskeren ze vaak met ander gedrag: afwezig of dromerig gedrag of juist druk zijn, de clown spelen, noem maar op.

Stemmingswisselingen komen vaak voor: van té uitgelaten het ene moment naar té somber het volgende moment. Hoge toppen en diepe dalen.

Een beelddenker:

  • voelt zich snel emotioneel bedreigd
  • heeft makkelijk een schuldgevoel als het niet lukt zoals hij het in zijn hoofd heeft.
  •  

    is snel tevreden met eigen prestaties. Ze zijn ervan overtuigd, dat het werk goed is, terwijl de werkelijkheid anders is.

  • kan zijn eigen handelen niet kritisch bekijken.
  • is vaak gehaast; “klaar is klaar’.
  • kan te resoluut optreden om de eigen onzekerheid te verbergen.
  • heeft een sterk wisselend prestatie patroon. Het kost de beelddenker bergen energie om het schoolse leren aan te passen aan zijn denkmanier. Het is onmogelijk steeds zo intensief bezig te zijn.
  • kan slecht luisteren. Beelddenkers horen lag niet alles wat gezegd woord. Een enkel woord kan een stroom van eigen beelden oproepen, waarop ze zelf verder dromen. Veel informatie gaat intussen verloren.

Hieronder een opsomming van meer vormen van gedrag die je tegen kan komen.

[posts-by-tag tags=”gedrag” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Slechte planning en weinig tijdsbesef

De Tijd VliegtBeelddenkers leven in een oneindige zee van tijd. Het begrip “tijd” is voor hen abstract. Hun interne klok draait vaak te snel of te langzaam (of helemaal niet).

Een tijdloos omniversum

Beelddenkers denken altijd meer tijd ter beschikking te hebben dan er  feitelijk is. Ze komen eeuwig te laat, schatten tijd verkeerd in en hebben geen idee welke dag of maand het is. Ze denken dat ze tijd genoeg hebben om alles te organiseren maar plotseling is het dan al tijd om te vertrekken. Plannen onmogelijk veel zaken op een dag. Terwijl er nog van alles moet gebeuren. Chaos alom!

Dit kan zeer uitputtend zijn; vooral voor de omgeving die zich moet aanpassen. Probeer er niet te boos om te worden, het is niet persoonlijk bedoeld; het is echt een onvermogen.

Wat kan helpen?

Voor afspraken die echt niet gemist mogen worden biedt de mobiele telefoon uitkomst (als ze die kunnen vinden). Veel kalenders zoals bijvoorbeeld Google Calendar zijn zo in te stellen dat er een dag en/of bijv. een uur voor de afspraak een berichtje wordt gestuurd.

Werken met visuele planborden, taken afbakenen en de dagindeling helder houden kan de nodige rust opleveren. Voor kleine kinderen kan je de tijd visueel maken met bijvoorbeeld een grip-op-de tijd-horloge.

Tijdens de training ‘Ik leer anders’ leer je klokkijken.

Beelddenkers hebben veel aan planborden en speciale timers.

[posts-by-tag tags=”timer” number=”99″ excerpt=”true” excerpt_filter=”false” thumbnail=”true” order=”asc”]

Slecht handschrift, mogelijk dysgrafie

Schrijven
Sommige kinderen schrijven erg langzaam of slordig. Hoe ze ook hun best doen, het komt niet goed en netjes op papier.  Het kost meer dan gewone inspanning om de lettervormen te automatiseren; de letters rollen nooit vanzelf uit hun pen.
Voor de beelddenkers is het wéér een extra stap in het denkproces (van beeld naar woord naar geschreven woord). Vanuit de beelden wordt de tekst als het ware vertaald naar wat er zou kunnen staan. De beelden verdringen de woorden.
Bij het opschrijven worden de woorden zacht mompelend gespeld en is het moeilijk de letters in de juiste volgorde neer te zetten. Ook zie je vaak dat er niet recht op de regel wordt geschreven en dat er grote verschillen zitten in de grootte van de letters. Vaak worden de letters eerder getekend dan geschreven.

Het ligt niet aan de motoriek!

Deze kinderen zijn vaak wel goed in tekenen. Een slecht handschrift heeft namelijk niets te maken met (fijne) motoriek. Schrijven is niet hetzelfde als bewegen; het is een nauwkeurige vaardigheid die hoofdzakelijk drie vingers gebruikt. Als een kind kan kleuren en tekenen kan het motorisch gezien ook schrijven.
Programma’s voor handschriftverbetering die zich zuiver op de motoriek richten brengen nauwelijks of geen verbetering tot stand. Ook de “schrijfdans” (met twee armen tegelijk bewegingen maken op grote vlakken op muziek) heeft jammer genoeg niet veel zin.
Laat kinderen die problemen hebben met schrijven veel op de computer werken! Dit gaat ze veel beter af; het kost ze veel minder energie zodat ze op dat moment kunnen focussen op wat op dat moment echt belangrijk is (de leerstof in plaats van het schrijven).

Mogelijke oorzaken van een slecht handschrift:

  • Niet schrijfrijp
  • Automatiseringsprobleem
  • Vermenging schriftsoorten
  • Slechte schrijfmethode

Niet schrijfrijp

Het kind is te vroeg begonnen met leren schrijven. Een kind moet “schrijfrijp zijn”.  Schrijfrijp betekent dat er voldoende hersenverbindingen aanwezig zijn om draairichtingsveranderingen, abstracte letterzones en het probleem van het translaterend bewegen te kunnen doorzien. Een kind is dus niet altijd “schrijfrijp” aan het begin van groep 3; dit kan getoetst worden door een “schrijfrijpheidstoets”.

Automatiseringsprobleem

Schrijven maar ook lezen, taal en rekenen zijn in groep 3 nog in een aanleerstadium. Schrijven is, net als lezen, taal en rekenen, een cognitieve vaardigheid. Wij verlangen van onze groep 3 kinderen dat ze twee dingen tegelijk automatiseren maar dit is praktisch onmogelijk! Denk eens aan je eerste autorijles: een inhoudelijk gesprek tijdens het sturen is dan ook nog geen optie! Gevolg hiervan is dat iedere letter steeds weer bedacht, getekend wordt.Bij de training “Ik leer anders” worden alle letters opnieuw opgeslagen in het hoofd. Door het visualiseren worden de letters geautomatiseerd en krijgt de leerling het makkelijker met schrijven.

P1220023Vermenging schriftsoorten

Omdat de kinderen nog niet kunnen schrijven in lusletters gebruiken ze tijdelijk een soort imitatie van de drukletter. Bij het overgaan naar de aan elkaar verbonden lusletters hebben vooral de zwakkere leerlingen het zwaar en mengen ze de diverse schriftsoorten door elkaar. Eventueel kun je ervoor kiezen een kind gewoon in blokletters te laten schrijven.

Goede schrijfmethode

In een goede schrijfmethode wordt veel aandacht gegeven aan de volgende zaken:
  • duidelijke en functionele lettervormgevingskennis: vertel over de vormgeving van de letters; het onderscheid tussen rechte en gebogen lijndelen, wáár letter uit- en invoegen en wat de verhoudingen zijn, zowel van de breedte-/hoogte als van de letterdelen onderling.
  • Gebruik vooral korte lussen! Door te lange lussen gaan de regels in elkaar haken en ziet het handschrift er minder goed uit.

Aanbevelingen:

Beelddenkende kinderen zijn gebaat bij:
  • voordoen: cijfers en letters zien ontstaan op het bord of op het beeldscherm
  • pijltjes:  het traject van de cijfers en letters aangeven door pijltjes
  • beeldhouwen van cijfers en letters met klei
  • afmaken van een letter of cijfer
  • gebruik maken van het PD Bord; een dubbelzijdig schoolbord ontwikkeld door Professor Mesker. Deze methode stimuleert hersenhelften actiever samen te werken. Meer informatie kun je vinden in het boek Dyslexie en touwtjespringen.
  • laat ze eventueel in blokletters schrijven, dat kost minder energie
  • laat ze zoveel mogelijk op de computer werken

Beeldmateriaal: Dianne Craft op Youtube

Problemen met rekenen, mogelijk dyscalculie

math_elementary_1Veel beelddenkers hebben problemen met rekenen. Het komt ook vaak voor dat de cijfers nog niet zijn geautomatiseerd. Cijfers zijn abstract, dat maakt het moeilijk. Ook automatiseren op de schoolse manier is lastig voor beelddenkers.

Veel beelddenkers leren fonetisch (op klank) waardoor ze de cijfers omdraaien. Vijfentwintig, je hoort eerst de vijf en dan pas de twee. Toch schrijf je 2-5. Vaak schrijven ze eerst de vijf en dan de twee ervoor. Of op jonge leeftijd: 5-2. Cijfers staan bij beelddenkers vaak niet achter elkaar, het zijn losse plaatjes. 28 klinkt hoger dan 30 (30 is een drie met een nul, drie dus).

Het rekenen wordt voor beelddenkers beter te overzien als het honderdveld wordt ingezet. Het kind heeft een totaalbeeld van de eerste honderd cijfer. Het rekenen kan je visueel maken door het maken van sprongen in het honderdveld. Ook tafels kun je goed uitleggen, die maken een patroon!

In de methode Ik leer Anders worden breuken vermenigvuldigen, delen, optellen of aftrekken duidelijk uitgelegd.

Niet alle beelddenkers zijn slecht in rekenen; soms blinken ze er juist uit in uit doordat ze het zien als puzzelen!

 

[posts-by-tag tags=”rekenen” number=”99″ excerpt=”true” thumbnail=”true” excerpt_filter=”false” order=”asc”]

Problemen met taal, mogelijk dyslexie

Dyslexic_wordsBeelddenken wordt vaak verward met dyslexie. Niet alle beelddenkers zijn dyslectisch, maar de meeste dyslectici zijn wel beelddenkers.

Dyslexie (ook wel woordblindheid) is een verzamelnaam voor een aantal aandoeningen die gepaard gaan met problemen met vooral geschreven taal.

Er zijn verschillende vormen van dyslexie. Sommige dyslectische kinderen hebben veel baat bij RT, bij anderen heeft het geen of weinig effect.

Deze kinderen hebben als beelddenkers hebben een groot talent: visualiseren! Dat talent gaan we natuurlijk gebruiken!

Zwevende letters

Bij veel beelddenkers “zweven” de letters door het hoofd. Ook hebben ze geen idee hoeveel letters er zijn. Wel dúizend, hoor je wel eens.

Beelddenkers zien letters als losse plaatjes, 3-dimensionaal. Als je de letters willekeurig kan draaien, spiegelen en kantelen dan heb je een probleem om het verschil tussen een d – b – p – q te zien. Klanken worden daarom niet op juiste wijze aan deze plaatjes gekoppeld. Tijdens de training gaan we het alfabet nog een keer opslaan. Dit geeft een vaste plek aan de letters.

Hardop lezen is lastig!

De meeste beelddenkers hebben moeite met hardop lezen. Dit komt omdat tijdens het lezen een voortdurende vertaalslag aan de gang is van gelezen woord naar beeld naar gesproken woord. Lege woorden (woorden zonder beeld zoals de, het, dat, hulpwerkwoorden enz.) worden overgeslagen. Op school is het belangrijk dat de teksten foutloos en volledig gelezen worden.

Stillezen kunnen beelddenkers vaak wel heel snel!

Visueel opslaan

Tijdens de training worden de lege woordjes opgeslagen en je leert hoe je woorden waar je moeite mee hebt (dictee) kan onthouden via woordbeelden. Als het woordbeeld goed opgeslagen is kunnen kinderen met gemak van voren naar achteren spellen en van achteren naar voren. Dit is iets waar ze écht heel goed in zijn, je ziet hun zelfvertrouwen groeien! Op dat moment kom je in een positieve cirkel terecht en kan lezen weer leuk worden.

Na de training ‘Ik leer anders’ kan je bijna altijd direct sneller hardop lezen (1 of 2 AVI-niveaus). Dat scheelt op school!

Er is veel praktisch en leuk oefenmateriaal te vinden op www.leestrainer.nl.