Meerkeuzetoetsen worden ook wel multiple-choice toetsen genoemd. Veel beelddenkers vinden de meerkeuzevragen lastig. De antwoorden lijken soms erg op elkaar, of het goede antwoord lijkt er niet bij te staan.

Het grote voordeel bij meerkeuzetoetsen is dat je kan gokken, met een kans van 1 op 4 dat je het goed hebt! Bij slim kiezen ligt die kans nog hoger!

Blijf kalm!

Je hoeft niet alles goed te hebben. Als je een aantal vragen moet gokken is dat geen ramp. Het gaat er niet om dat je alle vragen goed hebt, het gaat erom dat je er genoeg goed hebt! Zoek niet teveel achter de vragen. Meestal zijn ze niet erg diepzinnig bedoeld.

Stappenplan Meerkeuzentoets

Vorm je een beeld van de toets

  • Haal even diep adem terwijl de toets wordt uitgedeeld
  • Kijk de toets eerst globaal door.
  • Hoeveel vragen zijn er?
  • Zijn er verschillende onderdelen?
  • Check ook de achterkant van het toetsblad!
  • Lees eerst alleen de vragen en dek de antwoorden af.

 Werk in 3 rondes

  1. Eerste ronde:
    Alleen de makkelijke vragen. Zet een – voor de vragen die nog je niet invult.
  2. Tweede ronde:
    De moeilijkere vragen. Maak van het – een + als je ze hebt ingevuld. Sla de vragen die je echt niet weet nog over.
  3. Derde ronde:
    De allermoeilijkste vragen invullen.

Lees de vraag en de antwoorden die erbij horen

  • Lees de vraag zorgvuldig door en omcirkel of onderstreep de sleutelwoorden. Uit onderzoek blijkt dat mensen die dit doen beter scoren!
  • Formuleer in gedachten jouw antwoord voor je naar de antwoorden kijkt.
  • Lees ieder antwoord voor je een keus maakt, zo haal je de valkuilen eruit!

Ontrafel de antwoorden

Een vraag heeft meestal vier antwoorden.

  • Eén van de vier is duidelijk fout, zet hier een f voor.
  • De tweede blijkt met enig nadenken fout te zijn, zet hier ook een f voor.
  • Er blijven 2 alternatieven over. Vergelijk de sleutelwoorden van de vraag met die van de twee alternatieven. Lees goed en volg je intuïtie.
  • Kies het best passende antwoord, zelfs al vind je dat geen enkel antwoord echt klopt. Het hoeft niet perfect te zijn. Soms zijn de andere antwoorden klinkklare onzin en soms zijn ze alleen maar minder juist.
  • Blijf bij je eerste gevoel! Meestal klopt je eerste ingeving omdat je het antwoord herkent. Verander je antwoord alleen:
    • als het een extreem wilde gok was
    • als je nieuwe inzichten hebt gekregen
    • als je de vraag verkeerd hebt gelezen
    • als je een fout hebt gemaakt in een exacte vraag (wiskunde of logica
  • Weet je het echt niet? Lees dan over de beste goktechniek in het volgende stukje.

 

Gokje?

  • Elimineer eerst de foute antwoorden
  • Een antwoord is meestal fout als er woorden instaan als “altijd”, “nooit” of “geen enkel”.
  • Het langste of ingewikkeldste antwoord is vaak het juiste, de toetsenmaker moet zorgen dat het antwoord juist is, wat leidt tot lange zinnen.
  • Liggen de mogelijke antwoorden op een rekenvraag ver uit elkaar, kies dan voor de middelste.
  • Liggen twee antwoorden op een rekenvraag dicht bij elkaar, kies er daar dan één van.
  • Lijken twee sterk antwoorden elkaar maar verschillen ze op een duidelijk detail: kies één van die twee.
  • Zijn twee antwoorden tegengesteld aan elkaar, dan is de juiste waarschijnlijk één van de twee.
  • Lijken twee antwoorden hetzelfde, kies dan geen van beide.
  • Te doorzichtig is ook niet goed: wantrouw te gemakkelijke antwoorden.

Eindcontrole

Het is belangrijk dat je voor het inleveren je toets nog goed nakijkt.

  • Kloppen de antwoorden?
  • Heb je alle vragen beantwoord?
  • Controleer ook de achterkant van de bladen
Een proefwerk, ook repetitie of toets genoemd, is een meestal schriftelijke toets waarmee wordt beoordeeld of een leerling de leerstof beheerst. Een toets die kleiner is dan een proefwerk en die minder zwaar meetelt voor het rapport, wordt wel een schriftelijke overhoring genoemd.
Bron:
Wikipedia

Meer over toetsen: