VisualiserenBijna iedereen is in staat om een beeld te bedenken (visualiseren). Er is een groot verschil tussen beelddenken en visualiseren.

Visualiseren is niet het denkproces zelf maar komt pas aan het einde van dat proces. In de eerste instantie worden woorden gebruikt. De meeste mensen lossen hun problemen op met een analytisch vorm van denken op: een oorzaak-gevolg denken, waarbij de taal niet gemist kan worden.

Een beelddenker lost zijn problemen op zonder taal en structuur. Hij ziet een totaalplaatje. Om dit beeld over te kunnen brengen moet een beelddenker zijn gedachten achteraf  verwoorden.

Denk maar eens aan een moeilijke situatie waarin je héél snel moet handelen (bijv. als er voor je een ongeluk gebeurt).  Je overziet in een flits het geheel, gooit je stuur opzij, kijkt, remt en handelt direct! Er wordt gebruik gemaakt van een vóórtalige denkwijze omdat er geen tijd is de situatie woorddenkend te om juist te handelen; alles moet tegelijk gebeuren.

De beelddenker bevindt zich middenin zijn eigen beeld. Om dit beeld te kunnen verwoorden moet hij zich er eerst buiten plaatsen en vervolgens vertalen wat hij ‘ziet’. Dit is de enige manier waarop een beelddenker kan communiceren.

Een taaldenker kan zich best een beeld vormen van een situatie. Het visualiseren kan hem zelfs steun geven erover te vertellen. Of hij gebruikt de beelden als geheugensteun. Hij bedenkt een beeld bij zijn woorden.

Een beelddenker denkt in beelden als enige mogelijkheid om tot de juiste woorden te komen. Hij moet de woorden bij het plaatje zoeken.